Waarom een gereformeerde hermeneutiek?

Waarom een gereformeerde hermeneutiek? Deze grote vraag, gesteld naar aanleiding van de verschijning van Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag. Theologische Perspectieven (Vuurbaak 2017), splits ik op in een aantal kleinere vragen, die ik achtereenvolgens zal beantwoorden:

  1. Wat is hermeneutiek?
  2. Waarom hermeneutiek?
  3. Wat is er gereformeerd aan dit boek?
  4. Waarom moeilijk doen en je begeven in taalfilosofische bespiegelingen?

1. Wat is ‘hermeneutiek’?

Hermeneutiek werd vroeger vooral opgevat als de kunst van het uitleggen van teksten. In de 19e en 20e eeuw is hermeneutiek gaandeweg verbreed tot bezinning op verstaansprocessen.

Dat hoeft neocalvinisten niet te verbazen. Mensen hebben immers een wereldbeschouwing, een geloofsvooroordeel. Voeg daar aan toe dat mensen een zelfbeeld en een godsbeeld hebben. En dat godsbeeld, zelfbeeld en wereldbeeld meespelen in de uitleg van teksten. Maar ook dat de uitleg van teksten natuurlijk invloed moet hebben op godsbeeld, zelfbeeld en wereldbeeld. Dat hele complex vatten we tegenwoordig samen onder de noemer ‘hermeneutiek’: kritische bezinning op verstaansprocessen.

Nieuw is hierin overigens wel, dat het eigen perspectief van de uitlegger nadrukkelijk gethematiseerd wordt. Wie ben ik? En hoe beïnvloed dat mijn verstaan?

Besef daarbij goed dat kritische bezinning op verstaansprocessen niet in de plaats komt van het verstaan zelf. Om de Bijbel te lezen en op je eigen leven toe te passen, ben je niet afhankelijk van hermeneutiek. Hermeneutiek is een procesbegeleider. Het verstaansproces is niet van hermeneutiek afhankelijk. Verstaan is mogelijk, maar gaat vaak niet vanzelf. Dat brengt bij de tweede vraag.

2. Waarom hermeneutiek?

Daarvoor zijn theologische redenen aan te voeren en historische. Theologisch zijn er twee redenen:

  • wij zijn goed door God geschapen als mensen. We hebben geen God’s eye point of view. We zijn geschapen met een lichaam, in de ruimte, in de tijd, en we spreken een taal om de wereld ter sprake te brengen en over de wereld te communiceren
  • we zijn gevallen schepselen. Zonde, meertaligheid, leugen, koppigheid enzovoort zorgen ervoor dat verstaan niet vanzelf gaat. Misverstaan hoort bij het leven.

Wij verstaan ten dele. Als onze beste werken zijn met zonde bevlekt.

Wat dit allemaal betekent, zijn we ons de afgelopen twee eeuwen steeds meer bewust geworden. We zijn historische wezens en nu verschilt van toen. We zijn contextuele wezens en onze context hier verschilt van daar. De linguistic turn heeft ons bewust gemaakt van de invloed van onze taal: wij spreken een andere taal dan zij. De ‘meesters van het wantrouwen’, Nietzsche, Freud en Marx, hebben ons bewust gemaakt van machtsmisbruik, van de sturende rol van onze belangen, van de invloed van het onderbewuste. De postmoderniteit heeft ons geconfronteerd met onze perspectiviteit en met onze blinde vlekken.

Als we willen verstaan, is de vraag steeds belangrijker geworden: wie ben ik? Waar ben ik? Wat zijn mijn vragen, mijn belangen, mijn interesses? Heb ik werkelijk een open attitude? Kan ik werkelijk zien en horen en verstaan, of zit ik mezelf in de weg? Hermeneutiek staat in dienst van zelfkritiek, eerlijkheid en een echte ontmoeting met de werkelijkheid van de (A)nder.

Wij kunnen niet negeren dat ons verstaan maar ten dele is. Wij moeten dus reflecteren op het mislukken van ons verstaan, op de invloed van onze historiciteit, taligheid, contextualiteit, lichamelijkheid, zondigheid. Het gevolg van dit hermeneutische bewustzijn leidt onmiskenbaar tot een relativering. Hoe zeker is mijn kennis?

Toch vind ik het ergens verbazingwekkend als een christen daarvan schrikt. Ook ons verstaan is met zonde bevlekt. Zijn we dan rechtvaardig door onze werken, onze kennis, onze Bijbeluitleg? Nee, alleen door geloof in Jezus Christus, dat een geschenk is van Gods Geest.

Die relativerende werking brengt me bij twee valkuilen in de omgang met verstaansproblemen:

  • Het ontkennen, minimaliseren of overschreeuwen van de problemen. Dan beland je in een onhermeneutische positie. Dit gevaar dreigt voor mensen met een hoge openbarings- en schriftvisie
  • Relativisme. Vaak ontstaat dit in reactie op de eerste valkuil. Je kunt met de Bijbel alle kanten op, wat kan ik nog met de Bijbel? En dan is er ook zomaar de vraag: Wat kan ik nog met God?

Om beide valkuilen te voorkomen, is hermeneutiek – reflectie op verstaansprocessen en verstaansproblemen – broodnodig.

3. Wat is er gereformeerd aan dit boek?

Aan de hand van drie keer twee posities breng ik eerst het veld van de hermeneutiek in kaart. a.1 Liberale hermeneutiek: de lezer kijkt vanuit de moderne wereld beoordelend naar de tekst, die een weerslag is van ervaringen met God, in een andere context. Een modern wereldbeeld stuurt de interpretatie en bepaalt wat voor ons nog aanvaardbaar is.

  • a.2 Correlatie-hermeneutiek: het perspectief van de tekst en het perspectief van de lezer worden met elkaar in gesprek gebracht en interpreteren elkaar wederzijds. De perspectieven zijn gelijkwaardig en een hermeneutische theorie wordt sturend in dit proces.
  • b.1 Nieuwe hermeneutiek: centraal staat een herscheppend taalgebeuren dat ons Gods-, zelf- en wereldverstaan verandert. Dit taalgebeuren dreigt zelf het centrale heilsgebeuren te worden. Aan de wereld achter de tekst (Gods handelen, historische Jezus, heilsgeschiedenis) wordt tekort gedaan.
  • b.2 Postliberale hermeneutiek: omdat de tekst van het verhaal onze ervaring pas mogelijk maakt, moeten wij in de tekst getrokken worden en vanuit het verhaal onze wereld gaan ervaren. Risico is hier dat alles verhaal wordt en de wereld buiten de tekst op de achtergrond verdwijnt.
  • c.1 Postmoderne hermeneutiek: de tekst wordt met wantrouwen bekeken vanwege de macht die de tekst uitoefent. De tekst wordt gedeconstrueerd om de onderdrukte ander te redden van de tekst. De tekst zelf komt weinig meer aan het woord.
  • c.2 Bevrijdingstheologische hermeneutiek: lezen staat in dienst van bevrijding, hetzij van een onderdrukte partij buiten de tekst (de moderne variant), hetzij van de onderdrukte partij in de tekst (meer postmodern). De soteriologie hierachter is beperkt: het gaat om bevrijding van onrecht in het heden.[1]

Hieruit blijkt dat een aantal zaken van belang zijn in dit hermeneutische veld:

  • Hoe verhoudt de tekst zich tot de lezer?
  • Wat is ‘heil’ in deze hermeneutiek?
  • Wat is er buiten de tekst: is er ruimte voor reëel handelen van God, voor een God die zich bekend maakt, voor een historische Jezus die is opgestaan uit de dood, voor een reële eschatologie?
  • Uiteraard is steeds de beoordeling van de resultaten van de historisch kritische Bijbelwetenschap hier op de achtergrond een belangrijke factor. Daarbij speelt de vraag naar openbaring een rol. Is openbaring alleen zelf-openbaring of openbaart God ook zijn wil over ons leven?[2]

Vervolgens: wat is gereformeerd? Ik geef vijf karakteristieken:[3]

  1. De intentie om theologie op een trinitarische wijze te beoefenen en aandacht te geven aan de volle breedte van Gods werk in schepping en herschepping
  2. De wens om recht te doen aan al de Schriften van Oud en Nieuw Testament
  3. Het besef van de centrale betekenis van verzoening in Christus en gemeenschap met hem
  4. De overtuiging dat als gevolg van de verdorvenheid van de mens en van ons theologisch denken, we helemaal aangewezen zijn op Gods verkiezing en genade en op het verlichtende werk van de Heilige Geest
  5. Aandacht voor verbond en kerk

Aan de hand van deze vijf kenmerken is Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag te positioneren binnen het veld van de theologische hermeneutiek.

1. Nadenken over schrift en hermeneutiek begint niet bij mensen maar bij God. Het moet gezien worden binnen het handelen van de drie-enige God. Hij zoekt ons, gevallen mensen, om onze God te zijn in Christus en door de Heilige Geest. Hij gebruikt de Schrift om zijn heilzame gezag over ons leven uit te oefenen; om ons gelijkvormig aan Christus te maken en zo zijn beeld in ons te herstellen.

Er is dus meer dan een verhaal, meer dan tekst. God is in de heilsgeschiedenis en in de geschiedenis van Christus aan het werk om heel de gevallen schepping te herscheppen en zijn koninkrijk te laten komen. De soteriologie begint bij de verzoening van onze zonden, maar heeft een holistisch karakter: heel het bestaan zal bevrijd en genezen worden.

2. Het luisteren naar de Schrift staat centraal in de hermeneutische beweging van de theologie.[4] Het geheel van de Schrift is canon en daarom voor de theologie van belang.  De Schrift verdient het dat we haar met diep respect benaderen en willen luisteren naar wat God ons te zeggen heeft. Wanneer gesproken wordt van ‘theodrama’, wordt daarin het heilshistorische denken hernomen. Israël krijgt daarin nadrukkelijk een plaats. Nieuw is het besef dat we de geschiedenis alleen tot onze beschikking hebben in de vorm van verhalen; en dat de heilsgeschiedenis niet op afstand blijft maar wijzelf daarin delen omdat we delen in de geschiedenis van Jezus Christus. Jezus Christus en zijn opstanding bepalen ook het perspectief op de heilsgeschiedenis. De hele Bijbel zal dus tot zijn recht moeten komen als canon, maar in het licht van een christocentrisch perspectief.

3. Centraal staat het solus Christus. In Christus redt God ons, in Christus krijgt de Bijbel samenhang, Gods Geest gebruikt de Bijbel om het goede nieuws van Christus bekend te maken en ons gelijkvormig te maken aan Christus.

Dat is van betekenis voor de vernieuwing van ons eigen perspectief op de Schrift. Dat wij delen mogen in de gezindheid van Christus en als zijn leerlingen de Schrift lezen, is van groot hermeneutisch belang. We lezen de Schrift in onze eenheid met Hem.

4. Centraal staat in onze hermeneutiek de dynamiek van zonde en genade. We zijn gevallen mensen die geen gevoel voor God meer hebben. Zonder de vernieuwing van ons verstaan, zonder het werk van de Heilige Geest die ons verlicht en leidt en ons laat delen in Christus, zal niet tot ons door dringen waar het in de Bijbel om gaat. Verstaan is niet maakbaar, maar een genadegave van God. Spreken in termen van hermeneutische competentie past teveel bij maakbaarheid. Hermeneutiek is een kunst; het komt aan op vorming van attitudes en op openheid voor te ontvangen inzicht, voor geschonken verstaan.

5. Tot slot: centraal in het theodrama zijn verschillende momenten waarop een verbond gesloten wordt. De verschillende verbondssluitingen hebben dus een belangrijke rol in de structurering van het theodrama. Theodrama is verbondsgeschiedenis.

Ook de kerk is hermeneutisch van groot belang. Verstaan doe je niet alleen, maar in de breedte van kerk en traditie. Binnen de kerk worden lezers hermeneutisch gevormd, binnen de gemeenschap worden lezingen en exegeses getoetst.

Dus alle vijf karakteristieken van de gereformeerde traditie zijn kenmerkend voor Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag.

De lezer staat niet boven de Schrift of op gelijke voet, maar staat onder de drievuldige God die door de Schrift zijn heilzame gezag over ons uitoefent. Dat is een belangrijk verschil met een liberale of een correlatie-hermeneutiek. Met de nieuwe hermeneutiek en postliberale hermeneutiek zien we dat Gods Woord uit is op de transformatie van ons leven, maar heil is niet op te sluiten in het verhaal of in de taal. Heil begint bij de verzoening van onze zonden en omvat de herschepping van heel het leven. Dat omvat dus bevrijding zoals bevrijdingstheologische hermeneutieken benadrukken, maar meer dan dat. Vanwege de zonde is deze hermeneutiek zelfkritisch en soms vol wantrouwen vanwege menselijk machtsmisbruik waar postmoderne hermeneutiek zo’n scherp oog voor heeft, maar de tekst van de Schrift wordt met vertrouwen benaderd.

4. Tot slot: waarom die moeilijke taalfilosofische overwegingen

in het tweede deel van mijn artikel (paragraaf 5 van hoofdstuk 2 in de bundel)?

Het model van een teken als een drieplaatsige relatie met daarbij een persoonlijk gekleurde ‘significance’ kan gebruikt worden om het belang van verschillende hermeneutische perspectieven te tonen.

Bijbellezen kan niet zonder historische interesse, zonder realistische heilsleer. De Bijbel gaat over de werkelijkheid van Gods handelen, in heden, verleden en toekomst. Er is een wereld achter de tekst. Dat is het gelijk van de traditionele gereformeerde exegese.

Aandacht voor de wereld van de tekst zelf is ook belangrijk. Tekens krijgen betekenis door hun onderlinge relaties. De tekst valt te bestuderen in retorische, narratieve, structuralistische en Bijbelstheologische analyses. Synchrone benaderingen hebben hun goed recht, evenals Bijbelse theologie.

Maar we moeten niet bang zijn voor subjectiviteit of gezonde bevindelijkheid. De tekst wil ons veranderen, God wil door de tekst onze wereld – de wereld voor de tekst – transformeren. En dat begint bij een nieuwe manier van denken, een nieuwe kijk op de wereld.

Omdat ieder mens anders is, zal dat ook voor ieder mens, in iedere context, een eigen kleur krijgen. Contextualiteit is een reëel theologisch gegeven. Het probleem van het relationele waarheidsbegrip van het rapport God met ons was niet dat hier aandacht voor werd gevraagd. Het probleem was dat onvoldoende helder werd wat hier precies mee bedoeld werd.[5] Met het model van een teken als een drieplaatsige relatie is dit mijns inziens beter te begrijpen.

Niet iedereen hoeft dit te volgen. Van een gereformeerde hermeneut mag echter verwacht worden dat hij / zij niet in eenzijdigheden vervalt. Taalfilosofische bespiegelingen kunnen helpen om verschillende hermeneutische benaderingen in hun samenhang te begrijpen.

Zoals het geldt voor hermeneutiek als geheel: niet iedereen hoeft een hermeneutisch getrainde theoloog te zijn om Bijbel te kunnen lezen. Maar hermeneutiek helpt wel om het verstaan van de Bijbel te verbeteren in het geval van verstaansproblemen. Als procesbegeleider – niet meer en niet minder.

Deze tekst is 29 september 2017 door dr. Hans Burger uitgesproken tijdens studiedag God, mens en wereld verstaan in het licht van de Bijbel, n.a.v. de verschijning van Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag. Theologische perspectieven.

Eindnoten

[1] Voor een overzichten van posities in de theologische hermeneutiek, zie Rick Benjamins, Jan Offringa, Wouter H. Slob (red.), Liberaal Christendom: Ervaren, Doen, Denken (Vught: Skandalon 2016), 12-42; Arie Zwiep, Tussen tekst en lezer: een historische inleiding in de Bijbelse Hermeneutiek, 2 delen (Amsterdam: VU University Press 2009 en 2014).
[2] Een hermeneutische positie wordt altijd nader ingevuld door theologische overtuigingen. Daarom is de vraag altijd met welke visie op schrift en openbaring een hermeneutiek gecombineerd wordt. Daarover gaat de bundel niet of nauwelijks omdat het een bundel is over hermeneutiek. Niettemin, achter de bundel ligt wel een hoge waardering voor de Schrift als Gods woord. Tegelijk ligt er voor de gereformeerde theologie nog wel huiswerk als het gaat om Schrift- en openbaringsleer.
Nicholas Wolterstorff heeft laten zien hoe de Bijbel gelezen kan worden als Woord van God. Zie Hans Burger, ‘God spreekt. Wolterstorff over het Woord van God’, in Robert van Putten, Bart Cusveller, Rob Nijhoff (red.), Denken om shalom. De praktische filosofie van Nicholas Wolterstorff (Buijten & Schipperheijn Amsterdam 2017), 139-154. Hij gaat echter niet in op de vraag waarom God deze teksten als canon en als zijn Woord gebruikt. Wat zegt dat over de Heilige Schriften? Een goede Schriftleer moet hier iets over zeggen en daarin aansluiten bij de stand van de Bijbelwetenschap op dit moment. Daar ligt voor de gereformeerde dogmatiek het nodige werk te doen, waarin Bijbelwetenschappers en systematisch theologen elkaar nodig hebben.
[3] Ontleend aan het onderzoeksprogramma systematische theologie van de Theologische Universiteiten van Kampen en Apeldoorn, 2002-2007. Zie Hans Burger, Being in Christ (Eugene OR 2008), 12.
[4] Zie hoofdstuk 13 van Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag, vooral p. 276-282.
[5] T. Baarda, A. C. Hofland, God met ons: over de aard van het Schriftgezag (Leusden: Informatiedienst van de Gereformeerde Kerken 1981).

M/V & ambt en homoseksualiteit

Worstelen met gereformeerde hermeneutiek

Wat draagt hermeneutische bezinning bij aan het gesprek over vrouwelijke ambtsdragers en homoseksuele relaties? Velen zijn argwanend. Brengt hermeneutiek je niet vanzelf tot aanvaarding van beide? Dat zie je toch ook in andere kerken? In vier stappen schets ik een antwoord.

  1. Hoe ontstaat die verdenking?
  2. Waarom is zij onjuist?
  3. Hoe helpt hermeneutiek ons dan wel rond vrouw en ambt en homoseksualiteit?
  4. Hoe ga ik zelf met die twee thema’s om?

1. Hoe ontstaat die verdenking

dat hermeneutiek vanzelf tot vrouwelijke ambtsdragers en homoseksuele relaties leidt?

Ik zie drie oorzaken.

Eén: rond die onderwerpen groeit pluraliteit. Het lijkt alsof we het eenvoudig luisteren naar de Bijbel inruilen voor eigenzinnigheid. Maar die pluraliteit groeit niet door nieuwe hermeneutische theorieën. Wij leven in een netwerkwereld. Tradities braken open. Gemeenschappen werden vloeibaar. Ieder shopt zelf gezaghebbende – soms digitale – voorgangers bij elkaar. Die waaier van invloeden doet de wegen uiteengaan. Ook vroeger hadden de meesten niet zelf uitgezocht hoe je over vrouw en ambt en homoseksualiteit moest denken. Achteraf beseffen we juist hoe doorslaggevend ook toen factoren als een gedeelde traditie, een gesloten gemeenschap, een ondersteunende cultuur en door iedereen erkende autoriteiten waren. Het leek alleen maar alsof we eenvoudig luisterden naar de Bijbel. Niemand kan helpen dat dit tegenwoordig anders is. We moeten ermee dealen.

Twee: Hermeneutische bezinning problematiseert een puur exegetische tekstenbenadering. Velen borduren rationeel voort op de uitleg van een reeks geselecteerde Bijbelteksten en leiden zo met zekerheid af dat vrouwelijke ambtsdragers en homorelaties niet mogen. Maar gaan die teksten wel over hedendaagse vrouwen, ambten en homo’s? En is verstaan niet meer dan rationeel concluderen? Historisch gezien kon die tekstenmethode pas ontstaan toen protestantse Bijbelvertalingen de Bijbel geforceerd hadden opgedeeld in hoofdstukken met genummerde verzen. En zij werd pas populair toen theologen de natuurwetenschappen gingen kopiëren: je zoekt harde data en redeneert naar zekere conclusies. Staat of valt jouw mening over vrouw en ambt of homoseksualiteit inderdaad met zo’n datamodel, dan ervaar je hermeneutiek inderdaad als ondermijnend.

Drie: sommigen presenteren hermeneutiek in een twee fasen model. Eerst stelt objectieve exegese vast dat vrouwelijke ambtsdragers en homorelaties niet kunnen. Maar dan volgt hermeneutiek om te bepalen of dat ook voor ons nog geldt. En ineens kan het toch. Hermeneutiek als toverstaf die voor jou verandert wat er staat. Maar exegese vormt een moment binnen het hermeneutische proces, geen voorafgaand uitgangspunt. Wie onderzoekt wat er staat, doet al aan hermeneutiek. En wie de betekenis voor ons zoekt, moet nog steeds beluisteren wat er staat.

2. Waarom is de argwaan onjuist

dat hermeneutiek vanzelf voert tot vrouwelijke ambtsdragers of homoseksuele relaties? Twee aandachtspunten.

Eén: er zijn teveel tegenvoorbeelden. Theologen met hermeneutisch besef die op beide punten het traditionele standpunt huldigen. En voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers of homorelaties die alle hermeneutiek achterwege laten. Ze vonden een nieuwe exegese die ze aansprak. Ze gaan gewoon met hun tijd mee. En er zijn mensen zoals ik zelf die vanuit dezelfde hermeneutiek vrouwelijke ambtsdragers aanvaarden maar problemen houden met homoseksuele relaties. Er bestaat geen noodzakelijke link tussen hermeneutiek en de acceptatie van vrouwelijke ambtsdragers of homorelaties.

En twee: hermeneutiek is allereerst een descriptieve wetenschap en pas daarna normatief. Hermeneutiek schrijft niet voor hoe het verstaansproces moet lopen maar probeert bloot te leggen hoe het feitelijk gaat. Bij iedereen, welk standpunt je ook hebt. In dat licht kom je tot theorieën of aandachtspunten die je helpen om bij de bezinning op vrouw en ambt en homoseksualiteit alle nodige facetten mee te nemen. Het leidt niet tot één bepaald inhoudelijk antwoord.

3. Hoe helpt hermeneutiek ons dan wel rond vrouw en ambt en homoseksualiteit?

Zonder volledig te zijn, selecteer ik vijf  aandachtspunten.

1. Wees je bewust van de wisselwerking tussen het geheel en de onderdelen. Minstens onbewust vorm je altijd een beeld van het geheel van de Bijbel. Dat stuurt je kijk op man en vrouw en seksualiteit, en kleurt je omgang met concrete onderdelen binnen de Bijbel. Vraag je dus af wat de beste manier is om die totaalboodschap van de Bijbel te verwoorden. Vertelt de Bijbel het verhaal van God die schiep en de orde van zijn gevallen schepping bewaart en herstelt? Of van God die zijn gevallen schepping transformeert in een nieuw koninkrijk? Of gaat het om Gods voortgaande bevrijding? Of gewoon om de liefde, of andere kernmotieven? Veel verschillen rond man, vrouw en ambt en homoseksualiteit gaan hierop terug. Wát je hier kiest, leer je niet van hermeneutiek. Het vraagt Bijbelinzicht en theologie. Maar hermeneutiek maakt wel duidelijk hoe belangrijk zo’n totaalbeeld is.

2. Projecteer de beste wereld rond de tekst. Bij elke Bijbelpassage maken wij ons een voorstelling van wat daar staat en van wereld eromheen. Vaak onbewust; dan projecteer je vaak gewoon je eigen leefwereld. Als Middeleeuwse schilders die Bethlehem situeren in een Vlaams platteland. Daardoor lees je teksten over vrouwen en publieke kerkelijke taken zomaar met het beeld van de man-vrouw-verhouding en de ambten die je gewend bent, en teksten over tegennatuurlijk geslachtsverkeer vanuit hedendaagse homoseksualiteit. Zo kun je onwillekeurig in de tekst inlezen wat daar niet bedoeld is.

Nu is onze kennis over de wereld van de Bijbel de laatste eeuwen onvoorstelbaar gegroeid. Daardoor blijken omstandigheden soms zo verschillend dat je een passage niet één op één vandaag kunt toepassen. De vorm van homoseksueel verkeer waarover Paulus schreef, lijkt in allerlei opzichten niet op de homoseksuele relatie van je medechristen. En Paulus’ woorden over de plaats van toenmalige vrouwen maken niet rechtstreeks duidelijk waarom vrouwen vandaag wel een christelijke school mogen leiden maar geen christelijke gemeente. Welk beeld van de omgeving van de tekst het beste is, beslist opnieuw niet hermeneutiek, maar bijvoorbeeld historisch onderzoek. Hermeneutiek maakt je er echter wel van bewust dát elk verstaan zulke projecties kent. Dan wordt het schuldige luiheid als we vervolgens niet proberen om ons beeld van de wereld rond de tekst scherp te stellen.

3. Koppel Bijbelkennis aan andere kennis. Je kunt moeilijk Gods wil zoeken over een onderdeel van de werkelijkheid en die werkelijkheid niet willen kennen. Door onderzoek en ervaring weten wij vandaag meer dan de apostelen over man- en vrouw-zijn en over homoseksualiteit. Ook dat zet je voor de vraag of hun woorden één op één mee kunnen naar vandaag, of misschien een andere toepassing vergen. Bovendien laat onze kennis soms andere Bijbelwoorden oplichten, die we tot nu toe niet betrokken bij deze onderwerpen, bijvoorbeeld Jezus’ woord over eunuchen.

Dit voelt gevaarlijk. Toch zijn er al lang allerlei werkelijkheden waarover wij meer weten dan de bijbelschrijvers, en waarbij we onze kennis ook vrijmoedig in rekening brengen: bij auteursnamen van psalmen, het wereldbeeld van een platte aarde, evolutie, de duiding van ziektesymptomen, de omgang met rente, mode, democratie, recht van opstand, dieren eten. God schakelde in zijn openbaring mensen in met al hun menselijkheid. Hij tilde hen meestal niet uit boven hun tijd en corrigeerde hen alleen waar dat voor zijn openbaring nodig was. Niemand ontkomt eraan zijn kennis van de werkelijkheid te verbinden met wat het Woord over diezelfde werkelijkheid zegt. Dat gaat alleen goed, als we daarbij – analoog aan artikel 2 NGB – wel altijd de bril van het Woord opzetten.

Maar respecteer je in de discussies over vrouw en ambt en homoseksualiteit zo nog wel ‘de schrift alleen’? De Bijbel legt zichzelf toch uit? Blijft Gods woord nog wel een tegenover? Maar als je de projecties (punt b) en de werkelijkheidskennis (punt c.) niet bewust gebruikt, gebeurt het onbewust alsnog. Historici hebben geanalyseerd hoe het sola scriptura van de Reformatoren altijd verbonden was aan hun kennis van de werkelijkheid en buitenbijbelse instanties. Pas later kwam er een versmalling. Zeker is de Schrift een tegenover. Maar dat tegenover beveilig je niet door naïef de Schrift te hanteren in een vacuüm. Het vraagt vooral om voortdurende zelfkritiek en ontvankelijkheid voor Gods stem.

4. Peil profetisch onze tijd en cultuur. Niemand moet willen ontkennen dat onze discussies over vrouw en ambt en homoseksualiteit voortkomen uit de beweging van onze cultuur die ook ons meeneemt. Daarom moet je die cultuurbeweging christelijk evalueren om er verantwoord mee om te kunnen gaan. Op veel punten is cultuur een gegeven waar je mee moet dealen. Maar met onze westerse cultuur is bovendien meer aan de hand. Zij is gevormd door de christelijke traditie. Dat spreekt uit tal van trekken.

“Elk individu heeft waarde. Mensen behandel je gelijk naar hun gaven en prestaties. Individualiteit vindt vervulling in relationaliteit. Al het geschapene is goed, ook seksualiteit.  Het bestaan vormt geen kringloop maar een geschiedenis die uitloopt op een volmaakte nieuwe toekomst. Mensen zijn geen onmondige speelbal van machten maar in Christus Gods medewerkers.”

Zulke trekken van onze cultuur hebben christelijke wortels. Kun je daarom misschien ook de ontwikkelingen rond man en vrouw en homoseksualiteit positief duiden?

Tegelijk leeft onze postchristelijke cultuur in opstand tegen God. Voortdurend breekt zij door grenzen die hij stelde. Spreekt dat misschien uit de  ontwikkelingen van de man-vrouw-relatie en seksualiteit? Hermeneutiek beslist niet hoe wij de cultuur moeten duiden. Dat vraagt om het profetische licht van het Woord en de wijsheid van de Geest. Maar zij laat wel zien dat wij rond vrouw en ambt of homoseksualiteit meestal te kort door de bocht gaan. Geen keuze is verantwoord waarin deze zorgvuldige duiding van de cultuur achterwege blijft.

5. Kijk in de spiegel. Waarom zoek jij een antwoord op vragen rond vrouw en ambt en homoseksualiteit. Wat veroorzaakt jouw gedebatteer bijvoorbeeld bij anderen, betrokkenen en medechristenen? Onderken je eigen vooroordelen rond deze thema’s, grenzen die je al bij voorbaat trekt, ervaringen die je stempelen, doelen waar je gewoon bij wilt uitkomen? Waarom praat jij die bepaalde reconstructie van homoseksualiteit uit de wereld van de Bijbel na en negeer je dat alternatief? Waarom focus ik wel op vrouw en ambt en niet op fair trade? Waarom zoveel aandacht voor wat die kleine groep christelijke homo’s wel of niet mag doen en nauwelijks voor al die seksuele zwakheden waarmee veel meer christenen zitten, te beginnen bij jouzelf? Zou je over vrouw en ambt en homoseksualiteit wel een ander standpunt dúrven innemen? Of is aanpassen aan de traditie of de mode wel zo veilig? Hermeneutiek legt bloot dat dit soort diepere belangen en motieven ons allemaal belasten. Wie ze niet onder ogen ziet en daarover ook met God en medechristenen spreekt, smoort het verstaan van Gods wil.

4. Hoe ga ik zelf met die twee thema’s om?

De totaalboodschap van de Bijbel formuleer ik zo: God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn koninkrijk. Daarom benader ik man en vrouw en homoseksualiteit niet alleen vanuit de oorspronkelijke scheppingsorde. Die kennen we ook alleen maar in haar gevallen gedaante. Er ligt een toekomst voor ons waarin huwelijk en seksualiteit vervuld zijn in de band met Christus, in zijn lichaam. De orde van de gevallen schepping kent een nadrukkelijk onderscheid  tussen man en vrouw, waarbij de man leiding geeft. In het komende koninkrijk staan allen gelijk onder Christus. Daar verliest dit aspect van het onderscheid tussen man en vrouw zijn functie.

In dat licht herken ik de voortdurende beweging richting gelijkheid in de Bijbel. Maar ook begrijp ik waarom de apostelen waarschuwen dat we niet uit naam van het komende koninkrijk die orde voor een gevallen schepping mogen destabiliseren en zo het evangelie in opspraak brengen. Daarbij past ook Paulus’ beroep op schepping en zondeval om af te weren dat vrouwen publiek leidinggevend optreden. Voor mensen toen, ook voor de apostelen zelf, was een ordelijke aardse samenleving ondenkbaar als dat zou anders zou gaan. Maar wij weten op dit punt meer dan Paulus. Publiek leidinggeven door vrouwen neemt de orde van de gevallen wereld niet automatisch weg.

De Westerse ontwikkeling naar gelijkheid herken ik als een maatschappelijke vrucht van de Christelijke traditie, die voor Paulus nog onvoorstelbaar was. Tegelijk besef ik dat onze cultuur het natuurlijk onderscheid tussen man vrouw helemaal wil doorbreken en los van Christus eigenmachtig zelf een nieuwe orde creëert.

Ook vandaag blijft het apostolische evenwicht nodig tussen vooruitgrijpen op het nieuwe én respecteren van de oorspronkelijke orde. Maar vandaag kan dat evenwicht zonder schade anders uitvallen. Publiek leidinggevende posities van vrouwen passen juist als stap op weg naar het koninkrijk, waar we allemaal met Christus zullen regeren. Hen die onthouden legt juist in een postchristelijke cultuur een onnodig struikelblok. Tegelijk wordt de uitdaging voor ons om tegen de eigenmachtigheid van onze cultuur in het onderscheid tussen mannen en vrouwen op andere manieren creatief te blijven uitdrukken, al zou het alleen maar in de kleding zijn.

Bij homoseksualiteit pakt ditzelfde totaalplaatje anders uit. Vooruitgrijpen op de vervulling van seksualiteit betekent juist niet het seksuele spectrum uitbreiden maar naast de seksueel gekwalificeerde man-vrouw-eenheid nieuwe – niet-seksuele – vormen van christelijke gemeenschap of vriendschap creëren. Die verdwijnende seksuele man vrouw eenheid krijgt tijdelijk zelfs een extra betekenis. Zij moet afbeelden waar het heengaat tussen Christus en zijn bruid. Daarom zeg ik ook niet: als seksuele eenwording toch haar scheppingsbetekenis verliest, kunnen we die toch best als tijdelijk noodverband ook nog even gunnen aan homo’s. Ik vind wel dat de kerk homorelaties vaak moet tolereren, maar dat is iets anders dan rechtvaardigen. Hier geeft God de natuurlijke orde van de gevallen schepping juist tijdelijk nieuwe betekenis. Daarbij past voor mij ook Paulus’ nadruk in Rom 1 op het tegennatuurlijke karakter van homoseksuele relaties, al vind ik dat je Rom 1 als geheel niet rechtstreeks kunt toepassen op hedendaagse christelijke homo’s.

Tegelijk geeft een koninkrijksbenadering een ander perspectief op homoseksualiteit dan een scheppingsinvalshoek. Wij moeten leren homoseksualiteit niet langer vooral te benaderen als gebrokenheid en lijden. Het is een gelijkwaardige manier van menszijn die ook vervuld zal worden in het komende koninkrijk. Zo’n kijk op homoseksualiteit was voor Paulus ondenkbaar. Voor hem gold: tegennatuurlijke handelingen en begeerten moet je achter je laten. Maar beter dan de apostelen beseffen wij dat homoseksualiteit ook bij een christen een blijvende identiteitsdimensie kan zijn.

Bovendien doet hermeneutisch besef mij bedenken dat wij niet ons begrip seksualiteit zomaar mogen projecteren op de wereld van de Bijbel. De Bijbel kent dat begrip helemaal niet. Seksualiteit omvat bij ons allerlei andere dimensies rond seksuele eenwording zelf. Lichamelijkheid, geborgenheid, individuele vervulling in een relatie, intimiteit, vriendschap, liefde: die dimensies gaan mee naar het komende koninkrijk en zullen niet met seksuele eenwording verdwijnen. Daarom is het de uitdaging daarheen ook nu al vormen voor te vinden in vriendschapsrelaties van ongetrouwde homo’s en hetero’s.

Misschien vindt u mijn benaderingen maar niets. Prima, ik zie ook zwakke plekken en gaten. Ik wantrouw mijzelf bijvoorbeeld. Voor het één en tegen het ander … is dat geen handige middenpositie? Maar de les van mijn verhaal is dat je er niet mee weg komt door je vervolgens zelf van de hermeneutische vragen af te maken en mij vooral een paar teksten voor te houden. U moet ook uzelf kritisch bevragen. En de noodzakelijke hermeneutische aandachtspunten – bijvoorbeeld mijn totaalplaatje van de Bijbelse boodschap – erin betrekken. En u bent dan verplicht een beter totaalplaatje te leveren.

Deze tekst is 29 september 2017 door prof. dr. Ad de Bruijne uitgesproken tijdens studiedag God, mens en wereld verstaan in het licht van de Bijbel, n.a.v. de verschijning van Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag. Theologische perspectieven.

Leven uit de Bron

Drs. Marius Noorloos staat aan de wieg van diverse PEP-trainingen gemeenteopbouw die de afgelopen jaren vele predikanten en kerkenraadsleden hebben gevormd. Reeds zes maal werd de Basistraining Samen bouwen aan de kern van de kerk. Via geloofsopbouw naar gemeenteopbouw gegeven. Een training die zich volgens dr. Hans Schaeffer heeft ‘bewezen als een waardevol instrument voor de ontwikkeling van geestelijk leidinggeven door de kerkenraad’.

Drs. Marius Noorloos
Gaandeweg verder

De kern van het gemeentezijn bestaat volgens Marius Noorloos uit drie dimensies: Hart voor de Heer, Hart voor elkaar als Zijn leerlingen en Hart voor Zijn bevrijdend werk in de wereld. De beoefening van deze kern door de gemeente en de rol die predikant en kerkenraad daarin spelen staan centraal in de trainingen die PEP in samenwerking met Leven uit de Bron aanbiedt.

Na zijn 50-jarig ambtsjubileum heeft Marius Noorloos (1939) op veler verzoek zijn memoires geschreven. In Gaandeweg verder beschrijft en evalueert hij zijn loopbaan als predikant en consulent/docent gemeenteopbouw. Hij is vooral bekend geworden door zijn boek Leven uit de Bron, waarin een inspirerend programma wordt beschreven voor het bouwen aan een kerk als vitale en missionaire geloofsgemeenschap. Gaandeweg verder biedt een bijzondere, persoonlijke kijk op het kerkelijk leven en beleid vanaf de tweede helft van de vorige eeuw.

Symposium

De publicatie van deze autobiografie en het geestelijk testament van Marius Noorloos is op 12 oktober 2017 aanleiding voor een symposium. Samen met Erik de Boer, Hans Schaeffer, Nynke Dijkstra-Algra en Jelle de Kok denken we na over vragen als: Hoe verhouden biografie, theologie en gemeenteopbouw zich tot elkaar? Wat is de betekenis van predikantsmemoires en speciaal die van Marius Noorloos? Wat betekent zijn geestelijke erfenis voor de praktische theologie en met name voor gemeenteopbouw? Hoe kan het principe van “Leven uit de Bron” vruchtbaar worden toegepast in de praktijk van het gemeenteleven en de opleiding en training van predikanten en kerkenraden?

Vrijmoedigheid

Eén van degenen die Noorloos aanmoedigden zijn memoires te schrijven was prof. dr. Mees te Velde. In zijn Woord Vooraf op Gaandeweg verder typeert hij Noorloos als “iemand die jarenlang met een helder hoofd en met een sterke intuïtie voor velen in de kerkelijke praxis een wegwijzer en gids is geweest. Zijn invloed liep niet over de band van conceptuele theorieën, maar over die van krachtige geestelijke overtuigingen en wijze methodische lessen. Het is een zegen als her en der op de werkvloer van de kerk zulke zelfstandige praxeologen actief zijn!”

Waarom vond Mees te Velde het belangrijk dat Noorloos zijn memoires zou schrijven?

“Het kerkelijk panorama in Nederland is in de voorbije zeventig jaar ingrijpend veranderd. Waren er in de jaren 1950 nog stevige kerkelijke bolwerken, gereformeerd, hervormd en katholiek, anno 2017 is er weinig meer van over.

Marius Noorloos heeft die tijdreis van zeventig jaar persoonlijk en intensief meegemaakt, als dorpsjongen, als theologiestudent, als gemeentepredikant en als gemeenteopbouw-adviseur in breed verband. Slechts weinig predikanten schrijven memoires. Maar, gestimuleerd door anderen, heeft Marius zich er wel toe gezet. Dit boek is er het resultaat van. Een boek vol herinneringen, tegelijk stichtelijk en opbouwend.

Op het jarenlange werk van Marius Noorloos in kerk en Koninkrijk is een sleutelwoord uit de Handelingen van de apostelen van toepassing: het Griekse woord parrèsia. Oftewel: vrijmoedigheid, het lef en de gedrevenheid om met het evangelie erop uit te gaan en de mensen aan te spreken. Daarvoor moet de Here God de Allerhoogste voor je zijn. En je moet het belangrijk vinden dat mensen hun leven in zijn dienst stellen. En ook: je moet van geen ophouden weten. Die drievoudige grondhouding straalt bij Marius in alles door. En, goed om erbij te zeggen: die vrijmoedigheid was niet zomaar aanwezig. Ze werd verkregen in een leerproces van menselijke aanvechting en goddelijke bemoediging.

Daarmee hangt het samen dat dit boek geen verhalenboek is geworden met allerlei interessante menselijke ontmoetingen en sappige anekdotes. Het vertelt wel een verhaal, het gaat over eigen leven en eigen ervaringen. Maar het is vooral (toch weer!) een boek met een missie en een boodschap, het geestelijk testament van een dienaar van het evangelie van Christus. Het deed me denken aan een altaarstuk: op het tweeluik Leven uit de Bron en Groeien bij de Bron is als het ware aan de achterkant nog een andere schildering aangebracht, die als je goed kijkt over hetzelfde gaat: het positieve leven en de hoopvolle opbouw van de christelijke gemeente.”

Meer informatie en aanmelding:

Deze blog verscheen september 2017 in Pro Ministerio

Een wonderlijke wraakpsalm

‘God, sla hun de tanden uit de mond, verbrijzel de kaken van die leeuwen,’ bidt de dichter in Psalm 58. Hij smeekt God zijn vijanden te laten verdwijnen als een slak die kruipend oplost in slijm. Als je dit moet voorlezen op de kansel of bij een bijbelstudie, kom je misschien nog net tot het midden. Maar daarna? Het is niet niks wat deze gelovige vraagt: de dood van de goddelozen. Meer nog: een bloedbad!

Hoe kun je ooit een preek houden over zo’n psalm?

Kun je hier iets positiefs over zeggen? Zeker! Dr. Eveline van Staalduine – Sulman ziet minstens drie bemoedigingen:

1. Hier is iemand aan het woord die weet wat eerlijk en oneerlijk is

Los van de taal die de dichter uitslaat, we hebben hier te maken met iemand die heeft nagedacht over goed en kwaad, over eerlijk en oneerlijk. In de vorige training Geloofwaardig preken over ongemakkelijke teksten verzuchtte een van de cursisten bij een vergelijkbare tekst: “Er gaat dan wel een hele hoop fout in deze perikoop, maar er zijn toch nog mensen die doorhebben dat het fout gaat.” En zo is het hier ook.

De dichter verwijt de goden dat ze oneerlijk bezig zijn: ‘Spreekt gij, ​goden, inderdaad recht? Richt gij de mensenkinderen rechtmatig? (NBG)’ Is dit een hoge aanspreektitel voor rechters en leiders? Ze moeten recht spreken, maar doen zelf intussen kwaad. Ze moeten geweld in toom houden, maar ze bedrijven het zelf. Ze doen niet wat ze anderen proberen aan te leren! De wraakgevoelens zijn dus stevig gefundeerd op Gods wetten, op kennis van rechtvaardigheid. Ze stoelen niet op zelfmedelijden of op het simpele gevoel tekort gedaan te zijn.

2. Hier is iemand aan het woord die weet waar gerechtigheid vandaan komt

De dichter weet dus waar gerechtigheid vandaan komt. De God van Israël heeft wetten ingesteld en Hij is Degene die uiteindelijk bepaalt hoe de wereldgeschiedenis verloopt. De dichter heeft er vertrouwen in dat deze God er voor hem zal zijn. Dat iedereen zal zien dat er gerechtigheid op aarde komt, als deze God ingrijpt.

3. Je mag veel zeggen tegen God

Van Daniel Migliore heb ik geleerd ook naar de pastorale kant van dit soort psalmen te kijken. Je mag heel wat zeggen tegen God in de Bijbel. Je hoeft niet alles voor je te houden. Je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Al je ellende hoef je niet in jezelf op te slaan om die vervolgens jarenlang op te kroppen. Je mag je gevoelens – ook je wraakgevoelens – uiten. Wat God er vervolgens mee doet, is een tweede. De dichter roept zijn medegelovigen ook niet op tot geweld; hij laat het aan God over.

Kun je zelfs genieten van een wraakpsalm?

Sommige aspecten staan te ver van ons af ons er comfortabel bij te voelen. Daarom noemen we het een ongemakkelijke tekst. Maar er zijn ook aspecten die dichter bij ons staan, alleen al doordat we ons verwant voelen aan de schrijver. Ook hij was een gelovige die vertrouwde op God. Ook hij was verbijsterd over hoe mensen met elkaar omgingen. Ook hij bestormde God met zijn levensvragen, maatschappijkritiek en opstandigheid. En God zij dank is zijn klacht niet onder het vloerkleed geveegd, maar opgenomen in het psalmboek van Israël.

Dr. Eveline van Staalduine-Sulman is universitair hoofddocent Oude Testament aan de VU en is een van de trainers van Geloofwaardig preken over ongemakkelijke teksten. Deze blog verscheen eerder op Geloofwaardig Spreken.

Een preek waarvan je het einde zelf mag dromen

Wat zou een predikant van een schrijver kunnen leren? Beter vertellen? Of mooier formuleren? Wellicht. Maar wezenlijker is: beelden oproepen.

Op een ochtend las ik op de scheurkalender die bij ons op het toilet hangt: ‘De kunst van de schrijver bestaat er vooral in ons te doen vergeten dat hij woorden gebruikt.’ Op de achterkant van het blaadje legt redacteur Vanno Jobse dit citaat van de filosoof Bergson nog wat nader uit. De taal is ontoereikend om te communiceren over de rijkdom van de werkelijkheid. We zijn genoodzaakt woorden op dingen te plakken zodat we elkaar begrijpen. Maar daarmee reduceert de taal ook, wat de ander oppikt is altijd net even anders dan wat je wilde zeggen. Wat schrijvers daarom volgens Jobse te doen staat is beelden oproepen, beelden die rijker zijn dan de woorden die we gebruiken. Beelden die zich vormen in het hoofd van de lezer.

Sinds die dag begin ik vrijwel elke schrijfcursus met dit citaat en lees ik het stukje van de kalender voor aan de cursisten. Wazige blikken zijn meestal mijn deel, maar gelukkig breekt vaak halverwege de zon door. Dat is begrijpelijk. Geen schrijver is immers louter bezig met woorden in de goede volgorde te zetten, met de grammatica van de zinnen of de logische opbouw van het verhaal of betoog. Waarom zit je uren te ploeteren op een paar pagina’s, waarom herschrijf je en schrap je eindeloos tot je uiteindelijk een beetje een goed gevoel hebt over de tekst? Omdat je beseft dat wat je wilt vertellen altijd rijker is dan de taal kan overbrengen. Beelden oproepen, daar gaat het in de kern dus om bij literair schrijven. Niet alleen de schrijver heeft fantasie, ook de lezer. En hoe actiever de lezer is, hoe beter hij of zij het verhaal zal verwerken en het tot zijn eigen verhaal zal maken.

Zie ik het goed dat het in de preek nauwelijks anders gaat? De rijkdom van het Evangelie gaat onze taal verre te boven. Het mysterie van het geloof is te groot om sluitend in woorden te vangen en over te brengen. Een preek die voelt als helemaal af, helemaal kloppend, slaat misschien wel net de plank mis. Adriaan van Dis zei ooit: ‘Een goed verhaal heeft een einde dat je zelf mag dromen.’ Misschien is de beste preek wel die waarin beelden worden opgeroepen, waarin het mysterie van het geloof tussen de regels door kiert en waarvan de hoorder het einde zelf mag dromen.

Met toestemming overgenomen van Preekwijzer. De auteur, Arie Kok, geeft samen met Kees van Dusseldorp in 2017 een cursus narratief preken “Verbeter je verhaalkracht!”.

Tante Anne

Het leven was mijn tante niet gunstig gezind. In haar jeugdjaren had ze veel met ziekte te kampen, en ze verloor Hans – het enige kind dat ze had – toen hij zeven jaar oud was. Haar man was fabrieksarbeider, en op een middag kwamen ze mijn tante vertellen dat hij dood was, veertig jaar oud. Voor zover ik dat kan beoordelen is haar leven nadien kleurloos geweest, en enige relatie met God was er niet.

Ze was pas zeventig jaar oud toen ze werd opgenomen in een verzorgingstehuis in Deventer: ze was in ernstige mate dementerend. Ik was praktisch de enige die haar bezocht, eenmaal per vijf of zes weken. Dat was niet al te vaak maar de afstand werkte ook niet mee. Ze kon zich het huis nog herinneren waar ze als kind had gewoond, en er was nóg een gebeurtenis op de harde schijf achtergebleven: het overlijden van haar zoon Hans. Het was nog steeds een zwarte schaduw over haar bestaan, en het maakte haar zo verdrietig.

Een gesprek was nauwelijks mogelijk, omdat haar zinnen niet verder kwamen dan een- of twee losse woorden. Ik had de gewoonte haar in de auto mee te nemen voor een rit in de omgeving, en we hadden altijd dezelfde route: over de IJsseldijk naar Wijhe, daar met de pont over de IJssel en via de tegenoverliggende IJsseldijk weer terug naar Deventer. Daar, met het uitzicht over de rivier en op de stad dronken we koffie, aten appelgebak, en werd het samenzijn afgerond met een glaasje advocaat met slagroom.

Ik vroeg haar eens wat de kerk met de twee torens aan de overkant van de rivier eigenlijk betekende. “Van ’t geleuf”, was haar antwoord. Ik vertelde haar, dat zij als klein meisje in die kerk was gedoopt, maar ze keek glazig, en het zei haar niets. Toen zei ik: “Tante, u bent altijd zo verdrietig en u voelt zich altijd zo alleen. We moeten een afspraak met elkaar maken. We moeten vragen of Jezus zich over u wil ontfermen. Of Hij u wil helpen over dat verdriet heen te komen en u weer blijdschap te geven in het leven. Maar het zou wel eens kunnen dat u vergeet daarvoor te bidden, maar ik zal het ook doen. Ik zal u blijven steunen in het gebed.” Dezelfde glazige blik, en geen reactie. Ze begreep totaal niet waar ik het over had.

De volgende keer herhaalde zich hetzelfde ritueel, en hetzelfde gesprek. Zo ging dat maar door, jaar in, jaar uit, zonder dat ze ooit reageerde. Zelfs niet met één enkel woord!

Tien jaar later zaten we op een vrijdagmiddag in een dorpscafé in Den Nul, ergens aan de IJssel. We zaten met ons tweeën in de cafézaal, en plotseling was het alsof de bliksem insloeg. Iets dat uit medisch oogpunt tot de onmogelijkheden gerekend moet worden, gebeurde. Mijn tante trad buiten haar dementie, en was normaal! Terwijl ze in haar koffie roerde vertelde ze mij, hoezeer ze het op prijs stelde dat ik haar regelmatig kwam opzoeken. Dat ik haar rondreed, we samen koffie dronken en appeltaart aten. Dat ik met haar praatte en dat haar dat enorm stimuleerde. “Als je me weer terug hebt gebracht naar het tehuis, dan ben ik weer helemaal opgeladen, en kan ik er weer wéken tegen! En ik weet ook dat je altijd voor mij hebt gebeden; maar wat je niet weet, is dat ik ook altijd voor jou heb gebeden!”

Ik was perplex. Niet alleen omdat mijn tante tegen mij sprak en de manier waarop, maar ik was vooral geschokt door de manier waarop de Heilige Geest tot mij sprak. “Adri, je hebt je om je tante bekommerd. Je hebt langdurig en oprecht voor haar gebeden, maar je hebt niet echt geloofd dat Ik wat kon uitrichten in de staat waarin zij verkeerde. Je hebt véél te klein over mij gedacht, maar Ik ben veel groter dan jij denkt!”

Het gesprek met mijn tante Anne duurde misschien maar vijf of tien minuten; toen was het over en de dementie sloeg weer toe. Ik heb tien jaar met haar gesproken over Jezus, en tien jaar voor haar gebeden. Op deze bijzondere vrijdag liet God mij zien dat zelfs de meest demente dementen door Hem bereikt en gered kunnen worden. God is inderdaad véél groter dan wij denken of beseffen.

Het was met recht een bijzondere vrijdag, want het was de laatste keer dat ik mijn tante zag. Drie dagen later overleed ze plotseling. Een vrouw die bij haar volle verstand Jezus niet kon vinden, werd door Jezus gevonden in haar demente staat.

Dit najaar start bij PEP i.s.m. De Meij Consultancy en WoonZorgcentra Haaglanden de cursus Dementie: een pastorale en theologische uitdaging. Cursus voor predikanten, geestelijk verzorgers en pastoraal werkers. Docenten: Tim van Iersel, m.m.v. Gert Westrik en Cor van den Berg. 

Denken om shalom

De 85-jarige filosoof Nicholas Wolterstorff komt naar Nederland. Waarom is zijn denken van betekenis?

Door: Robert van Putten, Bart Cusveller en Rob Nijhoff; redactie: William den Boer

De 85-jarige Amerikaanse filosoof Nicholas Wolterstorff komt in juni een week naar Nederland. Hij is een van de meest bekende en toonaangevende christenfilosofen van dit moment en schreef boeken over rechtvaardigheid, christelijk onderwijs, kunst, liturgie, politieke autoriteit, het spreken van God, het spreken over God, de plaats van religie in het publieke domein, geloof en wetenschap en, op een persoonlijke manier, over de dood van zijn zoon. Wat maakt een kennismaking met deze denker zo waardevol?

Sinds de christelijke traditie het toneel van de Europese wereldgeschiedenis betrad, staan christenen voor de uitdaging om zich te verhouden tot de samenleving waarin zij leefden. Dat gold voor de vroege christenen in het oude Rome, dat gold voor Middeleeuwse christenen in het Moorse Spanje, dat gold voor christenen ten tijde van de opkomende moderniteit, en dat geldt voor christenen in Nederland nu. Van de andere kant gezien, de komst van christenen in de westerse samenlevingen betekende ook dat niet-christenen voor de uitdaging stonden om zich te verhouden tot de claims van deze gelovigen over goede manieren van denken, spreken en handelen in die samenlevingen. Kortom, de aanwezigheid van religie leidt doorlopend tot discussie over de plaats van religies in de cultuur en de betekenis die dit heeft voor de opstelling van mensen in de cultuur.

Verlegenheid

Onze tijd is daarop dus geen uitzondering. In media en politiek, in onderwijs en wetenschap, in kunst en kerk is voortdurend bezinning gaande op de betekenis van omvattende levensvisies, op ‘oorsprong en doel en zin’ van het bestaan en op de omgang met elkaar. Niet zelden ervaren christenen verlegenheid over hun verhouding tot een seculiere cultuur. Welke ruimte is er voor geloof in het publieke domein? Wat is de verantwoordelijkheid van christenen voor de samenleving? Wat betekent nu concreet een christelijke identiteit in de praktijken van het leven, zoals het onderwijs? De vragen gaan zelfs helemaal terug tot de kern van het christen-zijn, het gelovig denken over God zelf. Kan dat nog wel, geloven in God? Dergelijke vragen zijn ook vandaag de dag onderwerp van intensieve bezinning, niet het minst omdat veel christenen verlegenheid ervaren met vertrouwde antwoorden uit het verleden. Zou een zoektocht naar andere articulaties van vragen en antwoorden andere mogelijkheden voor christenen in de moderne cultuur aan het licht kunnen brengen?

In dergelijke situaties kan het zinvol zijn te leren van christenen die in andere maar tegelijkertijd ook vergelijkbare contexten met deze vragen worstelen. Zo iemand is in elk geval de filosoof Nicholas Wolterstorff. Hij heeft zich vanuit zijn Noord-Amerikaanse context langdurig en intensief gebogen over de verhouding van mensen met verschillende substantiële levensvisies tot elkaar, het samenleven als zodanig, de opstelling van christenen in de moderne cultuur en de betekenis van de christelijke levensvisie op tal van terreinen. Bij hem treffen we geen terugtrekkende beweging of triomfantelijke betweterij, maar een derde weg van het goed recht van scherpe, inhoudelijke analyse en zinvolle voorstellen om verschillende domeinen in de moderne samenleving vanuit een christelijk perspectief te benaderen.

Toonaangevend denker

Nicholas Paul Wolterstorff werd geboren in 1932 te Bigelow, Minnesota, in een Nederlands migrantengezin. Na een studie filosofie aan het christelijke Calvin College en aan Harvard University is hij in 1956 gepromoveerd aan Harvard op de Britse filosoof Whitehead. Vervolgens was hij van 1959 tot 1989 hoogleraar filosofie aan Calvin College en van 1989 tot 2001 hoogleraar filosofische theologie aan Yale University. Ook na zijn emeritaat bleef hij nog aan Yale verbonden, naast een aanstelling aan de University of Virginia. Hij heeft zich ontwikkeld tot toonaangevend filosoof, zowel binnen als buiten christelijke kring. Zo was hij voorzitter van de Amerikaanse vereniging voor christelijke filosofie (Society of Christian Philosophers), alsook voorzitter van de algemene American Philosophical Association, en hield bekende lezingenseries als de Gifford- en de Stone Lectures. Binnen de academische filosofie is hij primair bekend geworden door zijn werk op het gebied van de kennisleer, vooral door zijn werk met Alvin Plantinga, als aanstichters van de zogeheten reformed epistemology. Dit is een kennistheoretische benadering waarin geloof in God niet kennistheoretisch verdacht is en die de tongen heeft losgemaakt in heel de Angelsaksische filosofie.

Wolterstorff heeft een veelomvattend oeuvre ontwikkeld op de terreinen van de esthetiek, godsdienstfilosofie, moraalfilosofie, onderwijsfilosofie, kennis- en wetenschapsleer en politieke filosofie. Hij schreef boeken over rechtvaardigheid, christelijk onderwijs, kunst, liturgie, politieke autoriteit, het spreken van God, het spreken over God, de plaats van religie in het publieke domein, geloof en wetenschap en, op een persoonlijke manier, over de dood van zijn zoon. Niet alleen doorkruist Wolterstorff daarbij vele wijsgerige disciplines, ook schuwt hij niet om het terrein van de geschiedenis en de theologie te betreden, zoals in zijn werk over rechtvaardigheid en over liturgie. Op diverse van deze onderwerpen werd hij een auteur die niet genegeerd kan worden in het brede filosofische en theologische debat. Een sprekend voorbeeld hiervan vormt zijn werk rond religie in het publieke domein, waar iemand als Jürgen Habermas zich toe is gaan verhouden. Internationaal worden inmiddels proefschriften aan zijn werk gewijd, en wanneer nieuwe boeken van hem verschijnen, organiseren redacties van academische journals hun themanummers over zijn werk.

Shalom

Wie de diversiteit aan onderwerpen ziet waarover Wolterstorff schrijft zou kunnen denken dat er weinig eenheid in zijn werk te ontdekken valt. Hoewel hij niet geprobeerd heeft een programma uit te werken is niets minder waar. Het gaat hem steeds om aspecten van menselijke bloei, van het floreren van het menselijk leven zoals het bedoeld is. Of om met een Bijbels woord te spreken: shalom. Waar kunst en schoonheid, recht en vrede, of geletterdheid en onderwijs ontbreken, daar is het leven minder dan het kan zijn, ja, moet zijn. Shalom houdt alles bij elkaar, zegt hij, daar dienen we naar te streven.

Wolterstorff in Nederland

Al sinds begin jaren tachtig manifesteert Wolterstorff zich met zijn filosofische werk in Nederland. Begin jaren tachtig verzorgde hij ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Vrije Universiteit in Amsterdam een serie Kuyper-lezingen, later uitgegeven in het boek Until Justice and Peace Embrace. In de tweede helft van de jaren tachtig was hij gasthoogleraar aan de VU op het gebied van kennis- en wetenschapsleer. In deze periode werkte hij onder meer aan zijn publicatie over John Locke en het ontstaan van het moderne rationaliteitsideaal. Net voor hij terugkeerde naar de Verenigde Staten om zijn leerstoel aan Yale University te aanvaarden is René van Woudenberg, nu hoogleraar epistemologie en metafysica aan de VU, bij hem gepromoveerd. Tien jaar terug, in 2007, was Wolterstorff te gast aan de VU om een eredoctoraat te ontvangen.

Van zijn omvangrijke oeuvre is echter maar een klein deel bekend geraakt in Nederland. Via de vertaling van het boek De rede binnen de grenzen van de religie in 1993 en de essaybundel Van zekerheid naar trouw in 1997 hebben we kennis kunnen maken met Wolterstorffs visie op kennisvorming, theorievorming en de relatie tussen geloof en wetenschap. Binnen theologische faculteiten is er bekendheid met zijn godsdienstfilosofische werk van begin jaren negentig. Ook kwam er een Nederlandse vertaling van zijn boekje over het overlijden van zijn zoon Eric, Klaagzang voor een zoon.

Wolterstorffs praktisch-filosofische werk op het terrein van politiek, recht, onderwijs en kunst is in ons land nagenoeg onbekend gebleven. Echter, juist op die terreinen heeft Wolterstorff een omvangrijk oeuvre ontwikkeld, een oeuvre dat zich in de laatste vijftien jaar, de jaren na zijn emeritaat in 2001, nog veel verder heeft ontwikkeld. In het licht hiervan steekt zijn bekendheid in Nederland schril af bij de internationale erkenning van zijn werk. Dit oeuvre van Wolterstorff kunnen we in Nederland alleen maar tot onze schade negeren.


Bundel Denken om Shalom en studiedagen met Wolterstorff

Binnenkort verschijnt in de boekenreeks van de Stichting voor Christelijke Filosofie de bundel Denken om shalom. Hierin staat de actualiteit van Wolterstorffs praktische filosofie centraal. De focus van de bijdragen ligt op het inleiden in zijn denken en op het evalueren van Wolterstorffs filosofie in het licht van wat in onze Nederlandse context actueel en relevant is.

De redactie van de bundel wil de huidige zoektocht van Nederlandse christenen naar ‘christelijk denken’ over God, identiteit, samenlevingsverhoudingen en recht een impuls geven. Wolterstorffs werk kan een belangrijke bijdrage leveren aan het gesprek over behoorlijk menszijn in onze tijd dat in bredere levensbeschouwelijke contexten en ook niet-levensbeschouwelijke contexten wordt gevoerd. Dit artikel is een bewerking van de inleiding op de bundel door William den Boer.

Ter gelegenheid van de presentatie van deze bundel komt de 85-jarige filosoof begin juni naar Nederland om in vier studiemiddagen te inspireren tot het begrijpen, doordenken en toepassen van zijn gedachtegoed op de gebieden van filosofie, politiek, onderwijs en geloof. Klik hier voor meer informatie en aanmelding. Klik hier voor informatie over de verdiepende PE-opdracht (1 EC) rond het werk van Wolterstorff.

Liever dood dan vergeten

Als je dementie hebt, kun je beter dood zijn. Je vergeet jezelf en je wordt vergeten. Dat is geen leven meer.

“Ik ben nog getrouwd, maar eigenlijk al weduwe,” verwoordde een mevrouw wiens partner dementie had dat eens aan me. Stap voor stap verloor ze haar man, die ze niet meer als haar echtgenoot herkende. “Dit had hij nooit gewild,” voegde ze daar aan toe. “Hij kan er beter niet meer zijn. Dan is hij uit zijn lijden verlost. Dat is beter voor iedereen.”

Als je dementie hebt, kun je inderdaad beter dood zijn. Zolang slechts je cognitieve capaciteiten van waarde zijn en je die langzaamaan verliest, word je gaandeweg waardeloos. Je verliest je bestaan. De maatschappelijke mantra van ‘cogito, ergo sum’ betekent bij dementie vanzelfsprekend dat je gaandeweg niet meer bestaat, omdat je denken het af laat weten. Dan kun je beter dood zijn. Of je bent eigenlijk al dood verklaard, terwijl je nog leeft.

Gauw genoeg heerst er in kerkelijke kring verontwaardiging over deze manier van denken. Natuurlijk ben je nog van waarde als je dementie hebt: je bent immers kind van God. Toch leeft de maatschappelijke focus op cognitieve capaciteit stiekem ook in de kerk. Als je niet meer begrijpt wat er gebeurt, hoor je er niet meer bij. Wel een beetje, maar niet helemaal.

De dominee komt immers ook niet meer langs. Wat heeft het voor zin? De man weet niet eens meer wie hij is en is zijn bezoek al vergeten, voordat de dominee weer buiten staat. Kerkdiensten zijn te moeilijk geworden; hij begrijpt er niets van en tijdens het Heilig Avondmaal stopt hij het stukje brood in zijn broekzak. Beschamend voor iedereen, ook voor de man zelf.

Willen we daadwerkelijk dat mensen met dementie beter af zijn, en dan niet dood, maar levend? Dan moeten we de pastorale uitdaging van dementie aangaan. Dat betekent meer dan hen enkel gedenken in de voorbeden. Dat betekent mensen met dementie volwaardig deel laten zijn van het lichaam van Christus. Dat betekent zelfs hen jouw leraar laten zijn in het volgen van Jezus.

De toekomstige groei van het aantal met mensen dementie noopt predikanten zich te bezinnen op dementie, zowel over praktische mogelijkheden in liturgie en pastoraat als door theologische reflectie. Want ook al vergeten mensen met dementie, zij worden niet door God vergeten. Hij draagt hen in zijn herinnering. Als kerk is het de taak die herinnering keer op keer gestalte te geven, in het uitdragen van Christus die leeft. Hij overwon ook de maatschappelijke dood die mensen met dementie wordt aangedaan.

Tim van Iersel is als zorgtheoloog, geestelijk verzorger en ethicus gespecialiseerd in zingeving en ethiek bij dementie. Hij werkt als geestelijk verzorger in verpleeghuizen, waar voornamelijk ouderen met dementie wonen. Naast het contact met de bewoners in pastoraat en liturgie werkt hij samen met vrijwilligers, begeleidt hij mantelzorgers in gespreksgroepen en geeft hij trainingen ‘Pastoraat bij dementie’ en ‘Ethiek bij dementie’. www.timvaniersel.nl

Dit najaar start bij PEP i.s.m. De Meij Consultancy en WoonZorgcentra Haaglanden de cursus Dementie: een pastorale en theologische uitdaging. Cursus voor predikanten, geestelijk verzorgers en pastoraal werkers. Docenten: Tim van Iersel, m.m.v. Gert Westrik en Cor van den Berg. 

In gesprek met Rob van Houwelingen over ongemakkelijke teksten

Hoe ga je als lezer om met ongemakkelijke teksten in de Bijbel? En als spreker? Ik ga hierover in gesprek met nieuwtestamenticus Rob van Houwelingen. In het voorjaar werkt hij mee aan de training Geloofwaardig preken over ongemakkelijke teksten (start 27 maart 2017) en als voorproefje stel ik hem alvast wat vragen.

1. Wanneer bestempel je een tekst als een ongemakkelijke tekst?
Er zijn twee soorten teksten die ons moeite kunnen geven:

  1. Teksten die op zich wel duidelijk zijn maar die bij de moderne lezer vragen oproepen, bijvoorbeeld als Paulus de vrouw het zwijgen oplegt in de kerk.
  2. Teksten die lastig te begrijpen of uit te leggen zijn, bijvoorbeeld als Paulus het heeft over mensen die zich voor de doden laten dopen.

De term ‘ongemakkelijk’ heeft meer dan ‘moeilijk’ de gevoelswaarde dat wij als lezers iets ongemakkelijk vinden. Dat hoeft immers niet altijd aan de tekst te liggen.
Er bestaat een dik boek uit de laatste decennia van de vorige eeuw, getiteld Hard Sayings of the Bible (begonnen met Hard Sayings of Jesus). Dat boek was in theologische vaktaal geschreven. In Nederland ontstond het plan om iets dergelijks helemaal opnieuw te ontwikkelen, maar dan met een team van verschillende medewerkers en toegankelijk voor een breed publiek. Zo zijn de drie boekjes over ongemakkelijke teksten ontstaan.

2. Welke vraag in de boekjes vind je zelf het meest spannend?
De zogeheten zwijgteksten van Paulus kan ik exegetisch best plaatsen in de context van de eerste eeuw. Maar persoonlijk begrijp ik niet waarom vrouwen vanwege die zwijgteksten nooit of te nimmer leiding zouden mogen geven of preken in de kerk, terwijl ze in de huidige samenleving wel allerlei leidinggevende en onderwijzende functies vervullen.

3. Op dit moment heb je studieverlof en ben je in Zuid-Afrika. Wat doe je daar zoal?
Van september 2016 tot en met februari 2017 heb ik een half jaar studieverlof, waarvan ik drie maanden doorbreng in Zuid-Afrika. Samen met mijn vrouw reis ik per huurauto dwars door dit immense land, langs de vier belangrijkste universiteiten als het om de beoefening van theologie gaat, namelijk achtereenvolgens die in Pretoria, Potchefstroom, Bloemfontein en Stellenbosch. Met twee daarvan heb ik een bijzondere relatie: in Pretoria ben ik al geruime tijd gastonderzoeker, in Potchefstroom sinds kort bijzonder hoogleraar.

4. Zie je verschillen in cultuur in wat men als gemakkelijke of ongemakkelijke teksten beschouwt?
Vanwege het verleden liggen teksten waarmee apartheid werd verdedigd in Zuid-Afrika erg gevoelig. Net als in Europa vindt men geweldsteksten ook hier lastig, maar in Zuid-Afrika heb je in het dagelijks leven veel directer met geweld en onveiligheid te maken.

5. Wat motiveert jou bij het uitleggen van ongemakkelijke teksten?
Ten eerste wil ik graag zelf weten hoe het zit. Je hoeft niet altijd een oplossing te vinden, maar je kunt vaak wel mogelijkheden aangeven of achtergronden verduidelijken. Ten tweede wil ik m’n vakkennis liefst niet alleen delen met theologen maar ook met andere geïnteresseerde Bijbellezers. Daarom probeer ik academisch doordacht en tegelijkertijd zo toegankelijk mogelijk te schrijven.

6. Welke ongemakkelijke teksten staan in jouw top-3?
Uit elk deeltje noem ik één voorbeeld:
Ongemakkelijke teksten van Jezus:
Marcus 9:1: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt.’ En Marcus 13:30:‘Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.’
Ongemakkelijke teksten van Paulus:
2 Korintiërs 12:7b-9a over Paulus’ doorn in het vlees
Ongemakkelijke teksten van de apostelen:
Openbaring 20 over het duizendjarig vrederijk

7. Hoe ga jij voor jezelf met ongemakkelijke teksten om?
Ik laat ze liever ongemakkelijk dan een oplossing te forceren. De Bijbel is nu eenmaal niet altijd glashelder voor ons, zowel vanwege de afstand in tijd als vanwege ons gebrek aan inzicht. Uiteindelijk gaat het niet om teksten, maar om ons vertrouwen op de drie-enige God.

8. Welke tekst schuurt op een ongemakkelijke manier in je eigen leven?
Altijd blij zijn in de Heer (Filippenzen 4:4), want ik ben van nature niet zo blijmoedig, ook niet als gelovige.

9. (S)preek jij zelf graag over ongemakkelijke teksten? Waarom wel of niet?
Niet extra graag, want je moet dan veel uitleggen. Maar ik ga ze ook niet uit de weg.

10. Welke tips geef je aan predikanten voor de onderzoeksfase van de preek?
Stap 1: de tekst afgrenzen
Stap 2: zelf vertalen
Stap 3: nagaan hoe de tekst is opgebouwd
Stap 4: vragen stellen aan de tekst
Daarna volgen nog zes stappen in mijn Tienstappenplan voor de exegese van het Nieuwe Testament.

11. Zie je verschil tussen een preek over een gemakkelijke tekst en een ongemakkelijke tekst?
Het klinkt vreemd, maar preken over een gemakkelijke tekst is doorgaans moeilijker dan over een ongemakkelijke tekst. Johannes 3:16 bijvoorbeeld is van zichzelf al zo mooi, dan denk je als predikant: wat kan ik daar nog aan toevoegen?

12. Over welke ongemakkelijke teksten zou je in de eeuwigheid willen praten om antwoord op te krijgen?
Over geen enkele. Ik hoop dat ik dan andere dingen te doen heb ;).
Wel zou ik graag met Petrus willen praten over zijn twee nieuwtestamentische brieven, omdat ik daarover commentaren heb geschreven. Hopelijk heb ik hem goed genoeg begrepen…

Rob van Houwelingen is nieuwtestamenticus aan de theologische Universiteit Kampen, was meer dan twintig jaar predikant en promoveerde op de betrouwbaarheid van 2 Petrus. Hij is een van de auteurs van de reeks Ongemakkelijke teksten.
Als een soort vervolg schreef hij Onschatbare teksten, een top-25 van de meest populaire passages in het Nieuwe Testament. In het recente Handbagage voor Jezusvolgers bespreekt hij nog eens twintig teksten rond het thema navolging.

Deze blog is geschreven door Paulien Vervoorn en verscheen eerder op Geloofwaardig Spreken.

Oorsprongsagnost

Ik ben een agnost. Een oorsprongsagnost welteverstaan. Tenminste, tot voor kort was ik daar wel zo’n beetje zeker van, dat ik het niet wist. Op dit moment ben ik zelfs daar niet meer van overtuigd. Mooier kan ik mijn opvatting over evolutie helaas niet voorstellen: Ik weet niet hoe het zit met schepping en/of evolutie en denk eerlijk gezegd dat dit voor veel orthodoxe medechristenen ook geldt.

Maar is evolutie dan niet steeds breder aanvaard ook door orthodoxe christenen? Jawel, maar ik denk dat zeer velen van hen tegelijkertijd niet of nauwelijks kunnen uitleggen hoe zich dat dan verhoudt tot hun orthodoxe geloof. En is het dan niet eerlijker om te zeggen dat je het niet weet, dan dat je zomaar roept ‘dat we toch niet meer om de feiten heen kunnen’? O ja? En wat als die feiten dan echt niet te rijmen zouden zijn met wat je gelooft over God, de Bijbel, de wereld, de mens en de toekomst?

En wat als die feiten dan echt niet te rijmen zijn met wat je gelooft?

Laat helder zijn: Ik geloof vast dat God de hemel en de aarde heeft geschapen. Uit niets. Maar hoe heeft Hij dat gedaan? Sluit schepping evolutie uit of niet? Volgens de gangbare wetenschap is er op drie niveaus sprake van evolutie: geleidelijke ontwikkeling, gemeenschappelijke afstamming en natuurlijke selectie. Elk niveau brengt haar eigen vragen met zich mee wanneer ze geconfronteerd wordt met bijbelse voorstellingen over God, mens en het ontstaan van de wereld. Neem bijvoorbeeld de principes van ‘natuurlijke selectie’ en ‘survival of the fittest’: staan die niet haaks op het godsbeeld dat de Bijbel presenteert? Is het ooit te verkroppen dat dezelfde God die de Vader is van Jezus Christus en zich presenteert als de God die het zwakke verkiest, deze wereld geschapen heeft op de manier van natuurlijke selectie waarin het recht van de sterkste (in de zin van ‘de beste aanpasser’) geldt? Kunnen we van een afstandje Gods scheppingsdaad-via-evolutie bekijken en nog steeds zeggen: ‘het is (zeer) goed’?

Gesteld voor dit soort vragen word ik gehinderd door gebrek aan informatie en normatief kader om een werkelijk verantwoord standpunt in te nemen. Ik wil ‘de wetenschap’, en zeker de orthodox-christelijke beoefenaars daarvan, serieus nemen, maar vind het tegelijkertijd moeilijk om een vorm van creationisme definitief uit te sluiten. Daarbij kan ik de theologische implicaties van aanvaarding van evolutionaire schepping moeilijk overzien. Lange tijd vond ik het nog het meest bevredigend om ‘oorsprongsagnost’ te zijn: Ik weet het niet en wat er ook waar zal blijken te zijn – schepping al dan niet langs evolutionaire weg – het tast mijn geloof in en vertrouwen op God niet aan.

Er staat te veel op het spel om oorsprongsagnost te blijven

Hoe langer hoe meer vind ik dit echter een onbevredigende positie. Er staat ook te veel op het spel, zowel theologisch als qua ‘katholiciteit’, om het ‘niet te weten’. Dat laatste niet alleen omdat velen afscheid nemen van ‘de God van de Bijbel’ omdat ze niet inzien hoe orthodox-christelijke opvattingen zich laten rijmen met de stand van de wetenschap ten aanzien van het ontstaan van de wereld, maar ook omdat ‘evolutie’ een zoveelste splijtzwam onder orthodoxe christenen dreigt te worden.

Daarom ben ik zo benieuwd naar het langverwachte boek van Gijsbert van den Brink. Die heeft de consequenties van aanvaarding van evolutie of evolutionaire schepping voor een orthodoxe christelijke theologie jarenlang systematisch doordacht. In zijn boek En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie doet hij verslag van zijn bevindingen. Van den Brink meent dat er op elke uitdaging waarvoor de theologie zich door evolutie gesteld weet een antwoord te geven is dat zich goed verdraagt met gereformeerde orthodoxie. Als hij gelijk heeft, hoeft niemand zich dus nog zorgen te maken of geloof in God, ook in orthodoxe en gereformeerde zin, nog wel mogelijk is gesteld dat evolutie onomstotelijk vast zou staan. Tegelijk maakt hij er geen geheim van, dat het ‘totaalplaatje’ er op onderdelen wel anders uit komt te zien wanneer we dat geloof in termen van het hedendaagse wereldbeeld uitdrukken.

De grote vraag is natuurlijk of hij gelijk heeft. Van den Brink verdient veel respect voor zijn studie, maar ook een open en kritische weging, want er staat nogal wat op het spel. Zijn antwoorden op de gestelde vragen moeten zowel op hun geldigheid als op hun implicaties grondig worden bevraagd. Tijdens het congres ‘Evolutie. Stel dat het waar is…’ (22 september 2017), gaan evolutionair theïsten, creationisten en oorsprongsagnosten met elkaar in gesprek over dit boek. Een congres waardoor het bij overtuigd creationisten en evolutionair theïsten misschien wel gaat knagen, maar waar oorsprongsagnosten zeker wijzer van zullen worden.