De meerwaarde van een bijbelse benadering van psychische problemen

dynamics of biblical change ccef

Waarom ik kies voor bijbelse counseling

Hoe verhouden theologie en psychologie, of praktischer: pastoraat en psychotherapie zich tot elkaar? In hoeverre mag of moet je als christen (pastor of hulpverlener) gebruikmaken van theologische of bijbelse inzichten? Maar ook: Wat kan je als pastor met psychologische inzichten?

Door: drs. Ellen Oosterhuis, bijbels counselor en psycholoog

Sinds de psychologie gemeengoed is geworden, kun je als christen niet meer om de vraag heen hoe je je verhoudt tot de psychologie. Er zijn christenen die zeggen dat het bij pastoraat en psychotherapie over twee verschillende zienswijzen gaat, die je prima naast elkaar kunt laten staan, maar die je vooral niet met elkaar moet vermengen. Waarbij de Bijbel dan iets mag zeggen over onze ziel en de psychologie over onze geest. Er zijn ook christenen die vinden dat de psychologie helemaal niet gebruikt hoeft te worden. Dat geloof het antwoord is op alle psychische problemen, die eigenlijk dus geloofsproblemen zijn. Tussen deze twee uitersten kom je allerlei andere benaderingen tegen.

Wat mij in deze discussie opvalt is dat we vaak lijken te weten hoe het niet moet en waar we het niet mee eens zijn, maar dat het veel moeilijker is om onze mening te vormen over wat wel kan of mag en wat helpend is. Hoe de Bijbel wel hoop kan bieden en hoe ons geloof juist wel op weg kan helpen naar een beter omgaan met onze klachten. En zou die weg dan alleen iets betekenen voor het pastoraat? Of kan een christen-psycholoog ook met dat perspectief uit de voeten, zodat er een nog betere samenwerking kan ontstaan? Het gedachtegoed van de CCEF (Christian Counseling and Education Foundation) heeft een belangrijke rol gespeeld voor de vorming van mijn persoonlijke visie en praktijk op dit punt. Voordat ik hier meer over vertel, neem ik je graag mee in mijn eigen zoektocht.

Meer informatie over de online training Dynamics of Biblical Change

Dagelijks spanningsveld

In 1999 begon ik mijn loopbaan in de psychologie als stagiair bij Eleos, een bekende aanbieder van christelijke ggz. Met veel plezier heb ik er tot 2005 gewerkt – vanwege het werk van mijn man verhuisden we toen met ons gezin naar Amerika. Het was mooi om in de christelijke ggz aan het werk te zijn. Dagelijks ervoer ik echter ook het spanningsveld in hoeverre je ‘het geloof’, God kunt betrekken in je gesprekken. In hoeverre speelt het een rol in de klachten die mensen ervaren? Kun je hoop bieden vanuit datgene wat de Bijbel zegt, of geef je dan een ‘te gemakkelijk’ antwoord? Als collega’s onderling spraken we regelmatig over dit spanningsveld en hoewel we vaak wel wisten wat niet goed was, vonden we het altijd moeilijk om te benoemen wat wel goed of beter zou zijn.

Buiten Jezus om

Zelf liep ik nadrukkelijk aan tegen dit spanningsveld toen ik afscheid nam van een mevrouw die worstelde met schoonmaakdwang. Iets wat heel veel te maken had met haar verantwoordelijkheidsgevoel en behoefte aan controle. We waren volgens de voorschriften van de cognitieve gedragstherapie aan de slag gegaan en haar klachten waren sterk verminderd. Toen ze afscheid nam zei ze tegen me dat ze dankbaar was dat ze het weer zoveel beter zelf kon en zich daarin sterker voelde. Die opmerking bleef hangen. Ik vroeg me af hoe God tegen dit proces aangekeken had. Geloven was zijdelings aan de orde gekomen, maar nu vroeg ik me af in hoeverre de kracht die ze in zichzelf gevonden had haar groei in geloof en afhankelijkheid nu in de weg stonden. Had ik goedbedoeld niet een extra belemmering in deze groei veroorzaakt? Zelfs Jezus gaf aan dat Hij niets zonder de Vader kon, waarom was ik dan mensen iets aan het aanleren buiten Jezus om?

Had ik goedbedoeld niet een extra belemmering in deze groei veroorzaakt?

Toen ik in 2005 afscheid nam van Eleos kreeg ik het advies om eens goed in Amerika rond te kijken. Daar waren ze ook veel bezig met de vragen over geloof en wetenschap ten aanzien van psychische problemen. Ik ging inderdaad op onderzoek uit. Maar ‘Amerika’ confronteerde me allereerst met mijn eigen existentiële vragen.

Angst

Voor onze verhuizing naar Amerika woonden we in Rotterdam-Zuid. Hoewel dat niet de meest veilige buurt was, had ik me niet vaak angstig gevoeld. Nu in Texas was dat anders. Mijn man reisde veel in ik was dan alleen in een groot huis in een heuse suburb en ervoer regelmatig angst. Alles in Amerika was groter, zeker in Texas, dus ook het geweld. Ik voelde me vaak niet veilig en beeldde mij op allerlei manieren in dat ik thuis zou worden overvallen. Ik weet nog dat ik heel bewust dacht hoe ik nu ontspanningsoefeningen zou kunnen doen om de angst te laten zakken. Daarmee zou echter alleen het gevoel verdwijnen. Er zat een existentiële angst onder. Waar ben ik veilig, wie zorgt er voor mij? De rust die ik toen bij God mocht vinden was vele malen groter dan wat de ontspanningsoefeningen of ‘reële gedachten’ mij brachten. Gods antwoorden gaven het basisvertrouwen en geloof dat ons leven in Gods handen ligt en dat dit de beste plek is.

Waar ben ik veilig, wie zorgt er voor mij?

Er groeide een verlangen in mij om dat te mogen doorgeven aan anderen. Om mensen die dezelfde angst ervoeren op de weg naar God te leiden. Omdat zijn perfecte liefde angst kan verminderen. Maar dan wilde ik wel leren dat goed te doen en geen bijbelse antwoorden gebruiken als doekjes voor het bloeden. Dus ging ik op onderzoek uit.

Tijdens mijn zoektocht kwam ik opvattingen tegen waarin wetenschap bovenaan stond. Daar kon ik niet zoveel mee. Alsof de Bijbel alleen open mag als wetenschappelijk bewezen is dat het helpt. Ik vond ook een bijbelsecounseling-opleiding die veel weg had van cognitieve gedragstherapie, maar dan met bijbelverzen. Alsof de verandering niet meer is dan een oefening in positief of bijbels denken. Dit komt ook al snel te moralistisch over.

Drie dimensies van menszijn

Via de voorganger van mijn kerkelijke gemeente en een vriendin kwam ik uiteindelijk uit bij de Christian Counseling and Education Foundation (CCEF). De CCEF heeft als motto: Restoring Christ to Counseling and Counseling to the Local Church. Om me wat meer te verdiepen in hun gedachtegoed heb ik eerst een conferentie van de CCEF bezocht. De conferentie ging over verslaving en raakte mij vanwege drie dingen.

Allereerst werd tijdens deze conferentie bevestigd wat ik als psycholoog had geleerd over verslaving. De wetenschappelijke, psychologische stand van zaken met betrekking tot dit onderwerp werd niet genegeerd of miskend. Verslaving is een heel diepgaand en hardnekkig probleem. Het gaat gepaard met veel gebrokenheid en er kan al in de genen aanleg voor zijn. Vechten tegen verslaving is een zware strijd, waarbij allerlei persoonlijke, sociale en culturele aspecten een rol spelen. Kortom, er is sprake van veel lijden.

Daarnaast werd dit lijden in een grotere context geplaatst, namelijk die van een bijbels mensbeeld. Er werd aandacht gegeven aan de bijbelse realiteit dat de mens, ook de verslaafde, een actief hart heeft dat keuzes maakt en dat van nature geneigd is tegen God te kiezen. Hierbij ging het niet meer alleen over mensen die met een duidelijke verslaving te kampen hebben, maar over ons allemaal. We herkennen allemaal de neiging om kortetermijnkeuzes te maken. Die beloven ons waar de verlangens van ons hart naar uitgaan, maar kunnen dat niet waarmaken. Of we verlangen juist naar de verkeerde dingen. We zijn hierin allemaal zondaren.

Maar hier bleef het zeker niet bij. Heel veel aandacht werd er geschonken aan de bijbels gefundeerde hoop. Die geeft concreet zicht op mogelijke groei of verandering en is in alles gelegen in het werk van Jezus, in wat Hij deed aan het kruis en in wat Hij nog steeds doet. In Christus alleen kunnen we vergeving ontvangen, door Hem alleen kunnen we stapje voor stapje leren omgaan met onze gebrokenheid en groeien naar verandering.

In Christus alleen kunnen we vergeving ontvangen, door Hem alleen kunnen we stapje voor stapje leren omgaan met onze gebrokenheid en groeien naar verandering.

Deze drie aspecten van het menszijn – de bijbelse realiteit van ons lijden, waar ook de psychologie veel oog voor heeft, het bijbels realisme van zonde en kwaad, én de bijbelse realiteit van hoop in en door Christus – zijn allemaal waar. Het maakte dat ik me realiseerde dat ik veel meer op een verslaafde leek dan dat ik van hem of haar verschilde. Ik herkende dezelfde neigingen in mijn hart. Ik moet op dezelfde manier van genade leren leven, ook al is onze levensreis altijd uniek. En ook al is ons verhaal uniek, de Bijbel spreekt tot iedereen. Ik wilde graag leren hoe je hierin kon groeien. Dat je jezelf en de ander steeds vanuit alle drie dimensies kunt zien en vandaaruit samen op zoek kan gaan naar Gods aanwezigheid hierin en zijn leiding in het onderweg gaan naar een betere bestemming.

Hoop

De CCEF heeft duidelijk niet de wetenschappelijke benadering boven de Bijbel staan. Maar is ook niet anti-psychologisch. Wat ik vond bij CCEF, en bij andere benaderingen miste, was de hoop, het perspectief dat je kunt en mag bieden, zonder dat je de beperkingen van ons lijden bagatelliseert. De psychologie beschrijft heel duidelijk het wat van het lijden, en gaat vervolgens op zoek naar manieren om dat lijden te verminderen. Over het waarom is men het echter niet met elkaar eens. De Bijbel biedt daarin een veel ruimer perspectief, en gaat tegelijk in op de motieven van ons hart.

In de CCEF vond ik de leerschool die mij leerde wat wel mogelijk is vanuit een bijbels perspectief.

In de CCEF vond ik de leerschool die mij leerde wat wel mogelijk is vanuit een bijbels perspectief, met inachtneming van het lijden van mensen, en zonder moralistisch te worden. Ik vond een mensbeeld dat niet in normaal/abnormaal denkt, maar dat de mens ziet als sufferer, sinner en saint (als lijder, zondaar en heilige). In dit mensbeeld staat niet de mens, maar God centraal, evenals de vraag hoe we ons tot Hem mogen verhouden met inachtneming van onze psychische beperkingen. Daarmee heb ik een duidelijke kapstok gekregen om mijn psychologische kennis aan op te hangen, zonder de Bijbel te kort te doen.

Verder leerde ik bij  CCEF leerde ik dat onze relatie met Christus altijd een wezenlijk onderdeel is van ons veranderproces. Hiervoor moeten we niet alleen leren zien wat er in ons hart leeft ten aanzien van de dingen die ons overkomen in het leven, zoals lijden en ziekte. We moeten ook leren zien hoe God daarbij betrokken is. Hoe ons leven onderdeel is van zijn grote plan en hoe wij daarop mogen reageren. Zonder hiermee voorbij te gaan aan de enorme impact die lijden en ziekte op ons kunnen hebben. De visie van CCEF op bijbelse counseling heeft me veel gebracht, niet alleen voor mijn eigen leven, maar ook voor de manier waarop ik nu anderen probeer te helpen.

Hans

Laat ik dat illustreren aan de hand van een hulpvraag die ik onlangs kreeg. Een dominee verwees een meneer, die ik verder Hans zal noemen, naar mij door. Hij kampte met oververmoeidheid en veel spanningsklachten. Die waren het gevolg van traumatische situaties uit het verleden, die getriggerd werden door het hier en nu. Omdat de laatste traumatische situatie zich had voorgedaan in de kerk, had Hans bij de dominee aangeklopt. De dominee dacht dat het een goed idee zou zijn om wat brieven te schrijven en die dan te verbranden. De spanningsklachten werden echter enorm versterkt, en daarmee klopte hij bij mij aan.

In het eerste gesprek werd al snel duidelijk dat de spanningsklachten vaak resulteerden in rituele schoonmaakhandelingen en vermijdingsgedrag. Tijdens het eerste gesprek vertelde Hans me dat hij als dertienjarige jongen seksueel was misbruikt door een buurjongen. Omdat hij daar niet graag over sprak zijn we er in dit gesprek niet dieper op ingegaan. Hij vertelde wel dat het op een gegeven moment gestopt was omdat hij niet meer naar zijn buurjongen ging. Later trouwde hij met een vrouw die volgens Hans een narcistische persoonlijkheid bleek te hebben. Samen hadden ze een zoon. In de eerste vijf jaren van zijn leven heeft Hans volledig voor hem gezorgd, maar na de scheiding werd zijn zoon toch aan zijn ex toegewezen. Ook dit voor Hans een traumatische ervaring.

Inmiddels is Hans alweer 15 jaar getrouwd met een lieve vrouw en samen hebben ze een zoon van twaalf jaar. Ze hebben het goed met elkaar, maar lijden ook wel onder de dwangklachten en spanningen van Hans. Hans is met zijn vrouw meegegaan naar de kerk. Hij was rooms-katholiek opgevoed, maar deed daar weinig mee. Hij heeft wel een paar bijzondere godservaringen gehad en voelt zich door God echt thuisgehaald. Hans zegt veel steun te hebben aan het geloof. Hij heeft echter ook een heel nare ervaring in de kerk meegemaakt. Iemand ging hem stalken en schreef in zijn naam heel vervelende brieven naar andere gemeenteleden. Ook al is dit opgehelderd, er is nooit ruimte voor verzoening gekomen en ze hebben zich daarom aangesloten bij een andere kerk. Tot zover het verhaal van Hans.

Voor Hans is het een belangrijk inzicht om zich te realiseren dat hij die skippybal aan negatieve ervaringen niet in zijn eentje te lijf hoeft te gaan. Hij mag dit samen doen met God.

Ik denk dat in dit verhaal heel veel aanknopingspunten liggen om een gesprek aan te gaan. Daarbij zijn verschillende invalshoeken mogelijk. Ik kies er ervoor, vanwege de bijbelsecounselingpraktijk, om eerst wat meer stil te staan bij het Coram Deo (leven voor Gods aangezicht). Op mijn vraag hoe Hans God ervaart temidden van de spanningen geeft hij aan altijd veel steun te hebben aan het idee dat God nooit meer geeft dan je dragen kunt.

Dit verbaast mij enigszins omdat hij bij mij aanklopte omdat het niet meer ging. Er was veel spanning, hij sliep heel slecht en had het gevoel dat hij het verleden steeds als een skippybal onder water moest houden om te voorkomen dat het hem boven het hoofd zou groeien. We zoomen daar dan ook wat op in. Hans legt uit dat het voor hem betekent dat God vertrouwen in hem heeft dat hij deze problemen aankan. Tegelijkertijd geeft dit ook heel veel vragen, want zo voelt het helemaal niet. We zoeken in de Bijbel waar dat idee van hem eigenlijk vandaan komt, maar vinden iets heel anders. Namelijk dat je je lasten juist bij God mag brengen. Dat Jezus met je meelijdt en je uitnodigt om alles wat je dwarszit juist bij Hem te brengen. Dat als wij zwak zijn, we sterk kunnen zijn in Gods kracht. Voor Hans is het een belangrijk inzicht om zich te realiseren dat hij die skippybal aan negatieve ervaringen niet in zijn eentje te lijf hoeft te gaan. Hij mag dit samen doen met God. En in God heeft hij alle vertrouwen. In feite wordt het idee van Hans hiermee omgedraait: het is niet Gods vertrouwen in ons, maar ons groeiende vertrouwen in God dat maakt dat we met ons lijden leren omgaan.

Dit nieuwe inzicht zorgt ervoor dat hij die week als hij spanningen voelt gaat bidden om Gods kracht in plaats van te denken dat God hem aanmoedigt zijn eigen schouders eronder te zetten. En zonder dat we er verder veel op in hoeven te gaan, durft Hans zelf naar zijn negatieve ervaringen te kijken en erover te praten. Het is nog wel spannend, maar hij hoeft het niet alleen te doen en dat geeft hem ontzettend veel rust.

Na een halfjaar bijbelse counseling is Hans in staat om zijn verdriet te benoemen, hebben we het erover wat vergeven betekent en kan hij het verleden beter laten rusten, of meer actief in Gods handen leggen. Hij wil dit zelf graag verwoorden in een paar brieven die gericht zijn aan de personen die hem leed hebben aangedaan. Verbranden gaat hij ze niet. Er staan voor hemzelf wijze lessen in die hij niet wil vergeten. In het vertrouwen op de God die ons kracht voor vandaag en hoop voor de toekomst geeft, ronden we de gesprekken af.

Tot bloei komen

Het verhaal van Hans illustreert wat bijbelse counseling heel concreet betekent voor de gesprekken die ik nu met mensen aanga. Het begint er al mee dat ik niet zozeer in stoornissen of aandoeningen denk. De DSM (het diagnostisch handboek van de psychologie) zit wel in mijn achterhoofd, maar heeft een minder grote rol gekregen. De DSM beschrijft symptomen die mensen kunnen ervaren, maar vertelt verder niet over het waarom en het hoe. De wetenschap dat anderen vaak last hebben van dezelfde symptomen levert herkenning op, maar kan je ook meer passief maken.

Hoe mag en kun je God betrekken bij je lijden?

De tweede concrete verandering voor de gesprekken die ik met mensen voer, betreft de bewustmaking van het Coram Deo van ons leven. Hoe mag en kun je God betrekken bij je lijden? Wat is daar moeilijk aan, wat kom je tegen in je leven als sufferer en sinner, en wat belemmert je om te groeien als saint? Het doel van de gesprekken is daarmee dan ook niet meer het verminderen van symptomen, maar hoe je midden in het lijden van het leven toch tot bloei kunt komen, om te groeien in een leven tot Gods eer. En dat is altijd iets wat je zelf als hulpverlener ook moet blijven leren. Waardoor je je constant bewust bent van het feit dat je meer op elkaar lijkt dan dat je van elkaar verschilt.

Ellen Oosterhuis is psycholoog en heeft een eigen praktijk voor bijbelse counseling (www.guttaspei.nl). Ze is zeer gemotiveerd om ook in Nederland bijbelse counseling volgens CCEF meer bekendheid te geven, omdat het je leert hoe de transformerende kracht van het evangelie handen en voeten kan krijgen in de praktijk van ons dagelijks leven. Vanwege haar partnership met CCEF en haar eigen opleiding is Ellen door CCEF bevoegd als cursusbegeleider. In samenwerking met Permanente Educatie Predikanten wordt de module Dynamics of Biblical Change als grotendeels online cursus aangeboden: www.pepredikanten.nl/ccef.

Meer informatie over de online training Dynamics of Biblical Change

 

Leven uit de Bron: de toekomst van de lokale kerk

‘Wat mij hoopvol stemt is de verlegenheid die ik bij veel kerkelijke gemeentes in Nederland tegenkom. De kerk mist op dit moment gewoon wervingskracht. Daarom zoekt men naar nieuwe wegen, ook omdat het besef er is dat men niet eindeloos uit dezelfde vijver kan blijven putten.’

Aan het woord is Jelle de Kok, predikant-toeruster in algemene dienst in de PKN en coach-trainer voor Permanente Educatie Predikanten, over het belang van Leven uit de Bron voor kerkenraden en gemeenten. Samen met Jelle de Kok heeft PEP/Weetwatjegelooft.nl voor kerkenraden de korte maar krachtige training Proeven uit de Bron ontwikkeld. Lees hieronder het hele gesprek.

ONDER WELKE VOORWAARDEN IS ER VOLGENS U TOEKOMST VOOR DE LOKALE GEMEENTE?

In de toekomst is het vooral belangrijk dat leden van een gemeente kunnen groeien naar geestelijke volwassenheid in Christus (Ef 4:12-16). Geestelijk volwassen christenen delen vrijmoedig van de hoop die in hen leeft (1 Petr 4:10) en zijn dienstbaar aan anderen met de gaven die God hen gegeven heeft. Op deze manier worden ze een leesbare brief van Christus (2 Kor 3:3) en kunnen mensen die Jezus niet kennen, door de levens van deze christenen heen, Hem leren kennen. Veel niet-christenen kennen tegenwoordig de Bijbel en de verhalen die daarin staan niet meer. In de toekomst zal ons getuigenis van Jezus en onze dienstbaarheid aan mensen en de samenleving bepalend worden voor de toekomst van de Kerk. ‘Het enige boek dat een niet-christen leest over God is een christen’. Dit is meer waar dan ooit.

Groeien in intimiteit met God

Groeien naar geestelijke volwassenheid: hoe doe je dat als gemeente? Dat is waar ik me dagelijks mee bezighoudt in mijn werk als toeruster. Allereerst zal er geïnvesteerd moeten worden in het ontwikkelen van het persoonlijk geloofsleven van gemeenteleden. In het geloof draait het er allereerst om dat we een persoonlijke relatie met Jezus Christus ontwikkelen: geloven als religie heeft zijn tijd al lang gehad. Maar welke aspecten zitten er dan aan zo’n relatie met Jezus Christus? Daar valt veel over te zeggen, en het is goed om als kerkenraad en gemeente daar met elkaar over door te praten. Voor nu volsta ik met te zeggen dat er in de basis (zoals in elke relatie) sprake moet zijn van wederkerigheid: jij spreekt met God en Hij luistert, God spreekt met jou en jij luistert. Dan komt het dus aan op heel basale zaken als persoonlijke momenten van gebed en het thuis openen van Gods Woord. Psalm 63 zegt: ‘O God, U bent mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U’ en even verderop: ‘Mijn ziel is aan u verkleefd’. Dat zijn geen steriele gebeden die op gezette tijden worden uitgesproken, maar gebeden die getuigen van een intieme geloofsband met God. Als gemeente mogen we onze leden aanmoedigen om ook zo’n soort relatie met God op te bouwen. (Tekst gaat verder onder de video)

In deze korte video vertelt Jelle de Kok over de korte cursus voor kerkenraden Proeven uit de Bron 

Groeien in onderlinge betrokkenheid

Wat we ook nodig hebben is een sterkere onderlinge betrokkenheid op elkaar. Als gelovigen hebben we elkaar nodig om vol te houden en om te kunnen groeien in onze relatie met Jezus. We mogen elkaar leren bevragen met vragen als: wat merk jij van Gods Geest in je leven? Zou je met mij iets willen delen van jouw geloofsverhaal? Kun je een moment aanwijzen in je leven waarop God krachtig met Zijn Geest in je werkte? Een dergelijke betrokkenheid op elkaar maakt dat we beter leren om van ons geloof te getuigen en momenten kunnen verwoorden waarop God krachtig in ons leven inwerkte. Daar mogen we ons zo meer in oefenen. Natuurlijk helpt het daarbij als je bijvoorbeeld eerst samen gegeten hebt en/of over de gewone dagelijkse dingen al gesproken hebt met elkaar.

“Leer elkaar vragen stellen als: Wat merk jij van Gods Geest in je leven?”

Groeien in dienstbaarheid

Tot slot houdt geestelijke volwassenheid in dat we als christenen dienstbaar worden aan de samenleving. Streven naar duurzaamheid, het omzien naar minderbedeelden, ervoor kiezen om minder te consumeren van wat de wereld allemaal te bieden heeft: het is zomaar een greep uit waar we als christenen en als gemeenschap van gelovigen mee bezig moeten zijn. We hebben als het goed is Gods hart leren kennen, en geleerd dat Zijn hart uitgaat naar deze mensen en deze nieuwe manier van leven. In ons individuele en gemeenschapsleven proberen we hier steeds meer naar te handelen.

In veel traditionele gemeentes zijn predikant en kerkenraad nu nog vooral bezig met het verzorgen en in stand houden van de geloofsgemeenschap. Ze zijn bezig met het opvullen van de vacatures en het regelen van allerhande organisatorische zaken. Daardoor komen ze weinig toe aan het vormgeven van het geloofsleven van gemeenteleden. Kerkenraden gaan zich hopelijk in de toekomst meer en meer geroepen weten om gelovigen toe te rusten, zodat die zelf hun bijdrage gaan leveren aan de opbouw van de gemeente en samenleving. De weg naar herstel zit dus in het zoveel mogelijk activeren en motiveren van mensen om vanuit de Geest te leven. Dit is de uitdaging voor de kerk van vandaag.

“De weg naar herstel zit in het zoveel mogelijk activeren en motiveren van mensen om vanuit de Geest te leven.”

Perspectiefwisseling

Hoe ziet een gemeenschap eruit met in het centrum Geest-vervulde gelovigen? Dit vraagt echt om een perspectiefwisseling van de rol van de kerkenraad en de dominee. In zo’n geval verzorgt de kerkenraad bijvoorbeeld het pastoraat niet meer zelf, maar zorgt zij ervoor dat het pastoraat verzorgd wordt door gemeenteleden zelf. De kerkenraad rust hen daarvoor toe. Ook leidt de predikant niet een dienst waarbij de gemeente passief aanwezig is, nee, de predikant en kerkenraadsleden schakelen mensen in bij de eredienst en geven hen de ruimte om actief aanwezig te zijn tijdens deze erediensten. Er wordt ruimte geboden voor bijvoorbeeld ministry-gebed of iemand deelt iets van zijn of haar geloofsreis. De predikant geeft niet als enige leiding aan kleine groepen in de gemeente, maar rust gemeenteleden toe om goede kringleiders te zijn.

“De kerkenraad vormt eigenlijk een geloofsgemeenschap in het klein.”

Om deze omslag in denken en doen mogelijk te maken is het belangrijk dat de kerkenraad (als geestelijk leidinggevend centrum) zelf toerusting een belangrijke plaats geeft in haar vergaderingen. De kerkenraad vormt zo eigenlijk een geloofsgemeenschap in het klein, een ‘inner circle’ om vandaaruit de gemeente te dienen. Dus persoonlijke geloofsverdieping, betrokkenheid op elkaar en Gods werk in de wereld mag ook in de kerkenraadsvergadering meer aan de orde komen. Natuurlijk blijft er dan nog heel wat te ‘besturen’ over, maar dit gebeurt dan vanuit een heel ander perspectief en minder frequent dan nu vaak het geval is. Het versterken van ons hart voor de Heer, ons hart voor elkaar en voor Gods werk in de wereld zouden de agenda van elke kerkenraad moeten bepalen.

Heel concreet betekent dit dat er voortdurend geïnvesteerd wordt in onderlinge aandacht voor elkaars wel en wee en dat er (vaker dan nu meestal het geval is) een geloofsgesprek van hart tot hart plaatsvindt. Vanuit dit geloofsgesprek kan er nagedacht worden over de vraag hoe men, dat wat men van hart tot hart met elkaar gedeeld heeft, kan vertalen naar een concrete bouwsteen tot opbouw van de gemeente. Een bouwsteen is een uit te voeren actiepunt van 1 van de drie hierboven genoemde aspecten van geestelijke volwassenheid: hart voor de Heer, hart voor elkaar, hart voor de wereld. Kerkenraadsleden komen bijvoorbeeld tot de conclusie dat zij willen investeren in hun persoonlijke relatie met God door te groeien in het luisteren naar Zijn stem. Daarom gaat de kerkenraad een cursus als ‘Gods stem verstaan’ aanbieden aan de hele gemeente en zit zij op de cursusavonden zelf ook in de zaal in plaats van te vergaderen. Tijdens een daaropvolgende vergadering (of eredienst, maar dat is nog spannender!) deelt de kerkenraad wat zij zelf meent te horen wat de Geest tot de gemeente vandaag zegt. Om de betrokkenheid op elkaar in de gemeente te vergroten kan de kerkenraad een ‘tour de hap’ organiseren, waarbij het voor-, hoofd- en nagerecht telkens op verschillende plaatsen bij mensen thuis genuttigd wordt. Wanneer op deze manier voortdurend in toerusting van de kerkenraad en toepassing in de gemeente geïnvesteerd wordt, is er toekomst voor de plaatselijke gemeente.

WAAR ZIET U DEZE VOORWAARDEN ALS GEDEELTELIJK VERVULD?

In steeds meer kerken begint het besef door te dringen dat, indien er niet meer geïnvesteerd wordt in toerusting, er eenvoudigweg geen mensen meer zijn om het kerkelijk leven in stand te houden. Steeds meer kerkenraden geven aan dat ze in het geloofsgesprek willen investeren. In de afgelopen jaren zijn heel wat gemeentes aan de slag gegaan met het Leven uit de Bron-proces. Wat heel goed wordt opgepakt is het geloofsgesprek en het bespreken van wel en wee. Hierdoor vergadert men meer vanuit geloofsverbondenheid en dat werkt positief door in de hele vergadering. Je ziet ook steeds meer dat gemeentes het geloofsgesprek leidend laten zijn voor het vormgeven van beleidszaken van de gemeente. Hoe meer dat gebeurt, des te sterker de positieve uitwerking is. Vanuit veel plekken in Nederland horen we hoe positief het Leven uit de Bron-proces zo doorwerkt in het totaal van de gemeente. Via de website www.levenuitdebron.nu zijn enkele verhalen te lezen van gemeentes die hebben ervaren hoe heilzaam het is om op deze manier te werken aan de opbouw van kerkenraad en gemeente.

“Vanuit veel plekken in Nederland horen we hoe positief het Leven uit de Bron-proces doorwerkt in het totaal van de gemeente.”

Zelf heb ik als predikant in Diever hier ook vele jaren in geïnvesteerd. Als kerkenraad hebben we ervoor gekozen om 1x in de 2 maanden het accent te leggen op beleid en praktisch/organisatorische zaken. Daarnaast kozen we ervoor 1x in de 2 maanden het accent te leggen op het geloofsgesprek, ontmoeting en bezinning op de vraag hoe we dit alles konden omzetten in beleid. Het bleek een vruchtbare balans te zijn. Daarbij werd de beleidsvergadering gevoed vanuit de andere vergadering met nieuwe ideeën. Het gevolg hiervan was dat steeds meer gemeenteleden geactiveerd werden in het totaal van de gemeente. Pastoraat was niet meer een individuele zaak, maar van een ouderling met een team dat hij toerustte en ondersteunde. Kerkdiensten werden steeds meer gezamenlijk voorbereid en uitgevoerd. Groepen ontplooiden steeds nieuwe initiatieven. Gebedspastoraat kreeg steeds meer vorm. En er was ruimte voor projecten ver weg via World Servants en andere organisaties. Ook dichterbij kwam er veel aandacht voor asielzoekers: diepgaande contacten ontstonden die ertoe leidden dat vluchtelingen zich lieten dopen. Dat gaf meteen ook weer verdieping van het geloofsleven van veel ‘gewone’ gemeenteleden. Kortom, er ontstond een dynamiek waarbij Leven uit de Bron gepraktiseerd werd en waarvan de gemeente en samenleving positieve vruchten plukte.

WELKE VORMEN ZAL DE LOKALE KERK IN DE TOEKOMST AANNEMEN?

Ik denk dat er een verscheidenheid aan vormen zal zijn. Daarbij zullen oude en nieuwe vormen naast elkaar blijven bestaan. Wel heb ik de overtuiging dat daar waar geïnvesteerd wordt in ontmoeting, bezinning en toerusting, de gemeente grote levensvatbaarheid heeft. De kerkdiensten zullen meer een gezamenlijk iets worden waarbij ieder zijn of haar gaven en talenten zal inzetten. We zullen steeds meer kerken zien die niet dominee-gecentreerd zijn, maar gecentreerd rondom Geest-vervulde gelovigen. In de kerkdienst zal er daarom ook meer ruimte komen voor stiltemomenten (stiltemomenten zijn activeringsmomenten bij uitstek!) en het zelf overdenken van een Bijbelgedeelte. Naast de kerkdiensten zullen mensen in groepen bijeenkomen, en deze groepen zullen voor velen in plaats van de kerkdiensten komen. Als de drie aspecten van geestelijke volwassenheid daar beoefend worden en als hart, hoofd en handen geactiveerd worden, dan zijn zulke groepen feitelijk kleine kerkgemeenschappen. Met elkaar eten, thuis of na een kerkdienst, zal als vorm van gemeenschap steeds belangrijker worden. De kerkdiensten zullen steeds meer een verzameling van groepen worden in plaats van bijeenkomsten van losse individuen. De predikant zal minder dominant zijn en steeds meer toeruster en coach worden van de verschillende geloofsgroepen en/of gemeenschap. Hij zal mensen trainen in het pastoraat, maar ook in het voorgaan in kerkdiensten en het leiden van gespreksgroepen of andersoortige groepen met een eigen accent. Anders gezegd zal er steeds meer aandacht komen voor het priesterschap van alle gelovigen in al haar facetten. De centrale vraag hierbij is steeds: hoe kunnen we de Geest meer ruimte geven in onze geloofsgemeenschap, zodat gelovigen kunnen groeien en bloeien tot eer van God en tot zegen van de samenleving?

“We zullen steeds meer kerken zien die niet dominee-gecentreerd zijn, maar gecentreerd rondom Geest-vervulde gelovigen.”

WAT STEMT U HOOPVOL ALS U NADENKT OVER DE TOEKOMST VAN DE KERK IN NEDERLAND?

Wat mij hoopvol stemt is de verlegenheid die ik bij veel kerkelijke gemeentes in Nederland tegenkom. Bijna overal waar ik als predikant-toeruster kom is men verlegen met de situatie van de kerk zoals die nu is. Vaak heeft men al wel door dat de oude manier van werken geen effect meer sorteert. De kerk mist op dit moment gewoon wervingskracht. Daarom zoekt men naar nieuwe wegen, ook omdat het besef er is dat men niet eindeloos uit dezelfde vijver kan blijven putten. Onze verlegen­heid is hierbij Gods gelegenheid.

Wat mij hoopvol stemt is de verlegenheid die ik bij veel kerkelijke gemeentes in Nederland tegenkom.

Verder stemt het mij hoopvol dat er een groeiend verlangen is naar diepere vervulling met Gods Geest. Veel mensen willen graag meer weten over het werk van Gods Geest: wat betekent het om persoonlijk vervuld te raken met Gods Geest? En wat voor gevolgen heeft dat voor de kerkenraad en gemeente? Overal waar de Geest mensen aanraakt ontstaan nieuwe verlangens voor de kerk van nu en worden creatieve initiatieven geboren. Motivatie om zich in te zetten voor de gemeente wordt aangewakkerd. Het is een voorrecht om hier veel over te horen tijdens de cursussen die ik in Nederland heb gegeven rond het thema: Kom Heilige Geest, vernieuw uw kerk, vernieuw mijn leven.

Wat mij ook hoopvol stemt is dat ik met jonge mensen spreek die te midden van alle kerkverlating Gods nabijheid ervaren en zich geroepen voelen om in de kerk aan de slag te gaan. Bij hen neem ik meer dan bij anderen ook het besef waar dat het niet gaat om het in stand houden van de kerk als instituut. Zij zijn ook vaak juist enthousiast over het potentieel van de kerk om hen en anderen te helpen groeien in geloof en dienstbaarheid. Ze begrijpen heel goed dat ze een dergelijke groei nooit in hun eentje kunnen realiseren.

Wat me bovenal hoopvol stemt is dat de Here God altijd door periodes van ballingschap en verstrooiing heen zelf Zijn kerk vernieuwd heeft. Hij zal ook vandaag niet loslaten het werk van Zijn handen.

Drs. Jelle de Kok is predikant-toeruster in algemene dienst in de PKN. Hij is tevens verbonden aan de gereformeerde kerk van Wilsum. Hij werkt zelf al meer dan 15 jaar met de methode en visie van gemeenteopbouw via geloofsopbouw volgens Leven uit de Bron en heeft andere gemeenten hierin begeleid. Hij verzorgt voor PEP regelmatig trainingen. Zo gaf hij enkele malen de trainingen “Bouwen aan de kern van de kerk”, “Vruchtbaar omgaan met verschillen en geschillen” en (m.m.v. prof. dr. Stefan Paas) “Missionair kerk-zijn in een postchristelijke omgeving”. Lees hier een uitgebreid interview met Jelle de Kok.

Online training voor kerkenraden

Volg, als predikant, kerkenraadslid of kerkenraad, de training Proeven uit de Bron en ervaar de heilzame dynamiek van Leven uit de Bron voor jouw gemeente! Meer informatie en aanmelding: www.wwjg.nl/proevenuitdebron

Publicaties van ds. Jelle de Kok

  • Drinken uit de Bron. Handreikingen voor het geloofsgesprek om via geloofsopbouw te komen tot gemeenteopbouw (KokBoekencentrum 2018).
  • Ruimte voor de Geest, in de kerk, in jou en in de ander. Het belang van de Geest voor geloofsopbouw in de praktijk van gemeenteopbouw (2020).

Een eerdere versie van dit artikel werd geplaatst in het Ouderlingenblad, 24 november 2018.

 

 

Waarom een gereformeerde hermeneutiek?

Waarom een gereformeerde hermeneutiek? Deze grote vraag, gesteld naar aanleiding van de verschijning van Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag. Theologische Perspectieven (Vuurbaak 2017), splits ik op in een aantal kleinere vragen, die ik achtereenvolgens zal beantwoorden:

  1. Wat is hermeneutiek?
  2. Waarom hermeneutiek?
  3. Wat is er gereformeerd aan dit boek?
  4. Waarom moeilijk doen en je begeven in taalfilosofische bespiegelingen?

1. Wat is ‘hermeneutiek’?

Hermeneutiek werd vroeger vooral opgevat als de kunst van het uitleggen van teksten. In de 19e en 20e eeuw is hermeneutiek gaandeweg verbreed tot bezinning op verstaansprocessen.

Dat hoeft neocalvinisten niet te verbazen. Mensen hebben immers een wereldbeschouwing, een geloofsvooroordeel. Voeg daar aan toe dat mensen een zelfbeeld en een godsbeeld hebben. En dat godsbeeld, zelfbeeld en wereldbeeld meespelen in de uitleg van teksten. Maar ook dat de uitleg van teksten natuurlijk invloed moet hebben op godsbeeld, zelfbeeld en wereldbeeld. Dat hele complex vatten we tegenwoordig samen onder de noemer ‘hermeneutiek’: kritische bezinning op verstaansprocessen.

Nieuw is hierin overigens wel, dat het eigen perspectief van de uitlegger nadrukkelijk gethematiseerd wordt. Wie ben ik? En hoe beïnvloed dat mijn verstaan?

Besef daarbij goed dat kritische bezinning op verstaansprocessen niet in de plaats komt van het verstaan zelf. Om de Bijbel te lezen en op je eigen leven toe te passen, ben je niet afhankelijk van hermeneutiek. Hermeneutiek is een procesbegeleider. Het verstaansproces is niet van hermeneutiek afhankelijk. Verstaan is mogelijk, maar gaat vaak niet vanzelf. Dat brengt bij de tweede vraag.

2. Waarom hermeneutiek?

Daarvoor zijn theologische redenen aan te voeren en historische. Theologisch zijn er twee redenen:

  • wij zijn goed door God geschapen als mensen. We hebben geen God’s eye point of view. We zijn geschapen met een lichaam, in de ruimte, in de tijd, en we spreken een taal om de wereld ter sprake te brengen en over de wereld te communiceren
  • we zijn gevallen schepselen. Zonde, meertaligheid, leugen, koppigheid enzovoort zorgen ervoor dat verstaan niet vanzelf gaat. Misverstaan hoort bij het leven.

Wij verstaan ten dele. Als onze beste werken zijn met zonde bevlekt.

Wat dit allemaal betekent, zijn we ons de afgelopen twee eeuwen steeds meer bewust geworden. We zijn historische wezens en nu verschilt van toen. We zijn contextuele wezens en onze context hier verschilt van daar. De linguistic turn heeft ons bewust gemaakt van de invloed van onze taal: wij spreken een andere taal dan zij. De ‘meesters van het wantrouwen’, Nietzsche, Freud en Marx, hebben ons bewust gemaakt van machtsmisbruik, van de sturende rol van onze belangen, van de invloed van het onderbewuste. De postmoderniteit heeft ons geconfronteerd met onze perspectiviteit en met onze blinde vlekken.

Als we willen verstaan, is de vraag steeds belangrijker geworden: wie ben ik? Waar ben ik? Wat zijn mijn vragen, mijn belangen, mijn interesses? Heb ik werkelijk een open attitude? Kan ik werkelijk zien en horen en verstaan, of zit ik mezelf in de weg? Hermeneutiek staat in dienst van zelfkritiek, eerlijkheid en een echte ontmoeting met de werkelijkheid van de (A)nder.

Wij kunnen niet negeren dat ons verstaan maar ten dele is. Wij moeten dus reflecteren op het mislukken van ons verstaan, op de invloed van onze historiciteit, taligheid, contextualiteit, lichamelijkheid, zondigheid. Het gevolg van dit hermeneutische bewustzijn leidt onmiskenbaar tot een relativering. Hoe zeker is mijn kennis?

Toch vind ik het ergens verbazingwekkend als een christen daarvan schrikt. Ook ons verstaan is met zonde bevlekt. Zijn we dan rechtvaardig door onze werken, onze kennis, onze Bijbeluitleg? Nee, alleen door geloof in Jezus Christus, dat een geschenk is van Gods Geest.

Die relativerende werking brengt me bij twee valkuilen in de omgang met verstaansproblemen:

  • Het ontkennen, minimaliseren of overschreeuwen van de problemen. Dan beland je in een onhermeneutische positie. Dit gevaar dreigt voor mensen met een hoge openbarings- en schriftvisie
  • Relativisme. Vaak ontstaat dit in reactie op de eerste valkuil. Je kunt met de Bijbel alle kanten op, wat kan ik nog met de Bijbel? En dan is er ook zomaar de vraag: Wat kan ik nog met God?

Om beide valkuilen te voorkomen, is hermeneutiek – reflectie op verstaansprocessen en verstaansproblemen – broodnodig.

3. Wat is er gereformeerd aan dit boek?

Aan de hand van drie keer twee posities breng ik eerst het veld van de hermeneutiek in kaart. a.1 Liberale hermeneutiek: de lezer kijkt vanuit de moderne wereld beoordelend naar de tekst, die een weerslag is van ervaringen met God, in een andere context. Een modern wereldbeeld stuurt de interpretatie en bepaalt wat voor ons nog aanvaardbaar is.

  • a.2 Correlatie-hermeneutiek: het perspectief van de tekst en het perspectief van de lezer worden met elkaar in gesprek gebracht en interpreteren elkaar wederzijds. De perspectieven zijn gelijkwaardig en een hermeneutische theorie wordt sturend in dit proces.
  • b.1 Nieuwe hermeneutiek: centraal staat een herscheppend taalgebeuren dat ons Gods-, zelf- en wereldverstaan verandert. Dit taalgebeuren dreigt zelf het centrale heilsgebeuren te worden. Aan de wereld achter de tekst (Gods handelen, historische Jezus, heilsgeschiedenis) wordt tekort gedaan.
  • b.2 Postliberale hermeneutiek: omdat de tekst van het verhaal onze ervaring pas mogelijk maakt, moeten wij in de tekst getrokken worden en vanuit het verhaal onze wereld gaan ervaren. Risico is hier dat alles verhaal wordt en de wereld buiten de tekst op de achtergrond verdwijnt.
  • c.1 Postmoderne hermeneutiek: de tekst wordt met wantrouwen bekeken vanwege de macht die de tekst uitoefent. De tekst wordt gedeconstrueerd om de onderdrukte ander te redden van de tekst. De tekst zelf komt weinig meer aan het woord.
  • c.2 Bevrijdingstheologische hermeneutiek: lezen staat in dienst van bevrijding, hetzij van een onderdrukte partij buiten de tekst (de moderne variant), hetzij van de onderdrukte partij in de tekst (meer postmodern). De soteriologie hierachter is beperkt: het gaat om bevrijding van onrecht in het heden.[1]

Hieruit blijkt dat een aantal zaken van belang zijn in dit hermeneutische veld:

  • Hoe verhoudt de tekst zich tot de lezer?
  • Wat is ‘heil’ in deze hermeneutiek?
  • Wat is er buiten de tekst: is er ruimte voor reëel handelen van God, voor een God die zich bekend maakt, voor een historische Jezus die is opgestaan uit de dood, voor een reële eschatologie?
  • Uiteraard is steeds de beoordeling van de resultaten van de historisch kritische Bijbelwetenschap hier op de achtergrond een belangrijke factor. Daarbij speelt de vraag naar openbaring een rol. Is openbaring alleen zelf-openbaring of openbaart God ook zijn wil over ons leven?[2]

Vervolgens: wat is gereformeerd? Ik geef vijf karakteristieken:[3]

  1. De intentie om theologie op een trinitarische wijze te beoefenen en aandacht te geven aan de volle breedte van Gods werk in schepping en herschepping
  2. De wens om recht te doen aan al de Schriften van Oud en Nieuw Testament
  3. Het besef van de centrale betekenis van verzoening in Christus en gemeenschap met hem
  4. De overtuiging dat als gevolg van de verdorvenheid van de mens en van ons theologisch denken, we helemaal aangewezen zijn op Gods verkiezing en genade en op het verlichtende werk van de Heilige Geest
  5. Aandacht voor verbond en kerk

Aan de hand van deze vijf kenmerken is Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag te positioneren binnen het veld van de theologische hermeneutiek.

1. Nadenken over schrift en hermeneutiek begint niet bij mensen maar bij God. Het moet gezien worden binnen het handelen van de drie-enige God. Hij zoekt ons, gevallen mensen, om onze God te zijn in Christus en door de Heilige Geest. Hij gebruikt de Schrift om zijn heilzame gezag over ons leven uit te oefenen; om ons gelijkvormig aan Christus te maken en zo zijn beeld in ons te herstellen.

Er is dus meer dan een verhaal, meer dan tekst. God is in de heilsgeschiedenis en in de geschiedenis van Christus aan het werk om heel de gevallen schepping te herscheppen en zijn koninkrijk te laten komen. De soteriologie begint bij de verzoening van onze zonden, maar heeft een holistisch karakter: heel het bestaan zal bevrijd en genezen worden.

2. Het luisteren naar de Schrift staat centraal in de hermeneutische beweging van de theologie.[4] Het geheel van de Schrift is canon en daarom voor de theologie van belang.  De Schrift verdient het dat we haar met diep respect benaderen en willen luisteren naar wat God ons te zeggen heeft. Wanneer gesproken wordt van ‘theodrama’, wordt daarin het heilshistorische denken hernomen. Israël krijgt daarin nadrukkelijk een plaats. Nieuw is het besef dat we de geschiedenis alleen tot onze beschikking hebben in de vorm van verhalen; en dat de heilsgeschiedenis niet op afstand blijft maar wijzelf daarin delen omdat we delen in de geschiedenis van Jezus Christus. Jezus Christus en zijn opstanding bepalen ook het perspectief op de heilsgeschiedenis. De hele Bijbel zal dus tot zijn recht moeten komen als canon, maar in het licht van een christocentrisch perspectief.

3. Centraal staat het solus Christus. In Christus redt God ons, in Christus krijgt de Bijbel samenhang, Gods Geest gebruikt de Bijbel om het goede nieuws van Christus bekend te maken en ons gelijkvormig te maken aan Christus.

Dat is van betekenis voor de vernieuwing van ons eigen perspectief op de Schrift. Dat wij delen mogen in de gezindheid van Christus en als zijn leerlingen de Schrift lezen, is van groot hermeneutisch belang. We lezen de Schrift in onze eenheid met Hem.

4. Centraal staat in onze hermeneutiek de dynamiek van zonde en genade. We zijn gevallen mensen die geen gevoel voor God meer hebben. Zonder de vernieuwing van ons verstaan, zonder het werk van de Heilige Geest die ons verlicht en leidt en ons laat delen in Christus, zal niet tot ons door dringen waar het in de Bijbel om gaat. Verstaan is niet maakbaar, maar een genadegave van God. Spreken in termen van hermeneutische competentie past teveel bij maakbaarheid. Hermeneutiek is een kunst; het komt aan op vorming van attitudes en op openheid voor te ontvangen inzicht, voor geschonken verstaan.

5. Tot slot: centraal in het theodrama zijn verschillende momenten waarop een verbond gesloten wordt. De verschillende verbondssluitingen hebben dus een belangrijke rol in de structurering van het theodrama. Theodrama is verbondsgeschiedenis.

Ook de kerk is hermeneutisch van groot belang. Verstaan doe je niet alleen, maar in de breedte van kerk en traditie. Binnen de kerk worden lezers hermeneutisch gevormd, binnen de gemeenschap worden lezingen en exegeses getoetst.

Dus alle vijf karakteristieken van de gereformeerde traditie zijn kenmerkend voor Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag.

De lezer staat niet boven de Schrift of op gelijke voet, maar staat onder de drievuldige God die door de Schrift zijn heilzame gezag over ons uitoefent. Dat is een belangrijk verschil met een liberale of een correlatie-hermeneutiek. Met de nieuwe hermeneutiek en postliberale hermeneutiek zien we dat Gods Woord uit is op de transformatie van ons leven, maar heil is niet op te sluiten in het verhaal of in de taal. Heil begint bij de verzoening van onze zonden en omvat de herschepping van heel het leven. Dat omvat dus bevrijding zoals bevrijdingstheologische hermeneutieken benadrukken, maar meer dan dat. Vanwege de zonde is deze hermeneutiek zelfkritisch en soms vol wantrouwen vanwege menselijk machtsmisbruik waar postmoderne hermeneutiek zo’n scherp oog voor heeft, maar de tekst van de Schrift wordt met vertrouwen benaderd.

4. Tot slot: waarom die moeilijke taalfilosofische overwegingen

in het tweede deel van mijn artikel (paragraaf 5 van hoofdstuk 2 in de bundel)?

Het model van een teken als een drieplaatsige relatie met daarbij een persoonlijk gekleurde ‘significance’ kan gebruikt worden om het belang van verschillende hermeneutische perspectieven te tonen.

Bijbellezen kan niet zonder historische interesse, zonder realistische heilsleer. De Bijbel gaat over de werkelijkheid van Gods handelen, in heden, verleden en toekomst. Er is een wereld achter de tekst. Dat is het gelijk van de traditionele gereformeerde exegese.

Aandacht voor de wereld van de tekst zelf is ook belangrijk. Tekens krijgen betekenis door hun onderlinge relaties. De tekst valt te bestuderen in retorische, narratieve, structuralistische en Bijbelstheologische analyses. Synchrone benaderingen hebben hun goed recht, evenals Bijbelse theologie.

Maar we moeten niet bang zijn voor subjectiviteit of gezonde bevindelijkheid. De tekst wil ons veranderen, God wil door de tekst onze wereld – de wereld voor de tekst – transformeren. En dat begint bij een nieuwe manier van denken, een nieuwe kijk op de wereld.

Omdat ieder mens anders is, zal dat ook voor ieder mens, in iedere context, een eigen kleur krijgen. Contextualiteit is een reëel theologisch gegeven. Het probleem van het relationele waarheidsbegrip van het rapport God met ons was niet dat hier aandacht voor werd gevraagd. Het probleem was dat onvoldoende helder werd wat hier precies mee bedoeld werd.[5] Met het model van een teken als een drieplaatsige relatie is dit mijns inziens beter te begrijpen.

Niet iedereen hoeft dit te volgen. Van een gereformeerde hermeneut mag echter verwacht worden dat hij / zij niet in eenzijdigheden vervalt. Taalfilosofische bespiegelingen kunnen helpen om verschillende hermeneutische benaderingen in hun samenhang te begrijpen.

Zoals het geldt voor hermeneutiek als geheel: niet iedereen hoeft een hermeneutisch getrainde theoloog te zijn om Bijbel te kunnen lezen. Maar hermeneutiek helpt wel om het verstaan van de Bijbel te verbeteren in het geval van verstaansproblemen. Als procesbegeleider – niet meer en niet minder.

Deze tekst is 29 september 2017 door dr. Hans Burger uitgesproken tijdens studiedag God, mens en wereld verstaan in het licht van de Bijbel, n.a.v. de verschijning van Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag. Theologische perspectieven.

Eindnoten

[1] Voor een overzichten van posities in de theologische hermeneutiek, zie Rick Benjamins, Jan Offringa, Wouter H. Slob (red.), Liberaal Christendom: Ervaren, Doen, Denken (Vught: Skandalon 2016), 12-42; Arie Zwiep, Tussen tekst en lezer: een historische inleiding in de Bijbelse Hermeneutiek, 2 delen (Amsterdam: VU University Press 2009 en 2014).
[2] Een hermeneutische positie wordt altijd nader ingevuld door theologische overtuigingen. Daarom is de vraag altijd met welke visie op schrift en openbaring een hermeneutiek gecombineerd wordt. Daarover gaat de bundel niet of nauwelijks omdat het een bundel is over hermeneutiek. Niettemin, achter de bundel ligt wel een hoge waardering voor de Schrift als Gods woord. Tegelijk ligt er voor de gereformeerde theologie nog wel huiswerk als het gaat om Schrift- en openbaringsleer.
Nicholas Wolterstorff heeft laten zien hoe de Bijbel gelezen kan worden als Woord van God. Zie Hans Burger, ‘God spreekt. Wolterstorff over het Woord van God’, in Robert van Putten, Bart Cusveller, Rob Nijhoff (red.), Denken om shalom. De praktische filosofie van Nicholas Wolterstorff (Buijten & Schipperheijn Amsterdam 2017), 139-154. Hij gaat echter niet in op de vraag waarom God deze teksten als canon en als zijn Woord gebruikt. Wat zegt dat over de Heilige Schriften? Een goede Schriftleer moet hier iets over zeggen en daarin aansluiten bij de stand van de Bijbelwetenschap op dit moment. Daar ligt voor de gereformeerde dogmatiek het nodige werk te doen, waarin Bijbelwetenschappers en systematisch theologen elkaar nodig hebben.
[3] Ontleend aan het onderzoeksprogramma systematische theologie van de Theologische Universiteiten van Kampen en Apeldoorn, 2002-2007. Zie Hans Burger, Being in Christ (Eugene OR 2008), 12.
[4] Zie hoofdstuk 13 van Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag, vooral p. 276-282.
[5] T. Baarda, A. C. Hofland, God met ons: over de aard van het Schriftgezag (Leusden: Informatiedienst van de Gereformeerde Kerken 1981).

M/V & ambt en homoseksualiteit

Worstelen met gereformeerde hermeneutiek

Wat draagt hermeneutische bezinning bij aan het gesprek over vrouwelijke ambtsdragers en homoseksuele relaties? Velen zijn argwanend. Brengt hermeneutiek je niet vanzelf tot aanvaarding van beide? Dat zie je toch ook in andere kerken? In vier stappen schets ik een antwoord.

  1. Hoe ontstaat die verdenking?
  2. Waarom is zij onjuist?
  3. Hoe helpt hermeneutiek ons dan wel rond vrouw en ambt en homoseksualiteit?
  4. Hoe ga ik zelf met die twee thema’s om?

1. Hoe ontstaat die verdenking

dat hermeneutiek vanzelf tot vrouwelijke ambtsdragers en homoseksuele relaties leidt?

Ik zie drie oorzaken.

Eén: rond die onderwerpen groeit pluraliteit. Het lijkt alsof we het eenvoudig luisteren naar de Bijbel inruilen voor eigenzinnigheid. Maar die pluraliteit groeit niet door nieuwe hermeneutische theorieën. Wij leven in een netwerkwereld. Tradities braken open. Gemeenschappen werden vloeibaar. Ieder shopt zelf gezaghebbende – soms digitale – voorgangers bij elkaar. Die waaier van invloeden doet de wegen uiteengaan. Ook vroeger hadden de meesten niet zelf uitgezocht hoe je over vrouw en ambt en homoseksualiteit moest denken. Achteraf beseffen we juist hoe doorslaggevend ook toen factoren als een gedeelde traditie, een gesloten gemeenschap, een ondersteunende cultuur en door iedereen erkende autoriteiten waren. Het leek alleen maar alsof we eenvoudig luisterden naar de Bijbel. Niemand kan helpen dat dit tegenwoordig anders is. We moeten ermee dealen.

Twee: Hermeneutische bezinning problematiseert een puur exegetische tekstenbenadering. Velen borduren rationeel voort op de uitleg van een reeks geselecteerde Bijbelteksten en leiden zo met zekerheid af dat vrouwelijke ambtsdragers en homorelaties niet mogen. Maar gaan die teksten wel over hedendaagse vrouwen, ambten en homo’s? En is verstaan niet meer dan rationeel concluderen? Historisch gezien kon die tekstenmethode pas ontstaan toen protestantse Bijbelvertalingen de Bijbel geforceerd hadden opgedeeld in hoofdstukken met genummerde verzen. En zij werd pas populair toen theologen de natuurwetenschappen gingen kopiëren: je zoekt harde data en redeneert naar zekere conclusies. Staat of valt jouw mening over vrouw en ambt of homoseksualiteit inderdaad met zo’n datamodel, dan ervaar je hermeneutiek inderdaad als ondermijnend.

Drie: sommigen presenteren hermeneutiek in een twee fasen model. Eerst stelt objectieve exegese vast dat vrouwelijke ambtsdragers en homorelaties niet kunnen. Maar dan volgt hermeneutiek om te bepalen of dat ook voor ons nog geldt. En ineens kan het toch. Hermeneutiek als toverstaf die voor jou verandert wat er staat. Maar exegese vormt een moment binnen het hermeneutische proces, geen voorafgaand uitgangspunt. Wie onderzoekt wat er staat, doet al aan hermeneutiek. En wie de betekenis voor ons zoekt, moet nog steeds beluisteren wat er staat.

2. Waarom is de argwaan onjuist

dat hermeneutiek vanzelf voert tot vrouwelijke ambtsdragers of homoseksuele relaties? Twee aandachtspunten.

Eén: er zijn teveel tegenvoorbeelden. Theologen met hermeneutisch besef die op beide punten het traditionele standpunt huldigen. En voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers of homorelaties die alle hermeneutiek achterwege laten. Ze vonden een nieuwe exegese die ze aansprak. Ze gaan gewoon met hun tijd mee. En er zijn mensen zoals ik zelf die vanuit dezelfde hermeneutiek vrouwelijke ambtsdragers aanvaarden maar problemen houden met homoseksuele relaties. Er bestaat geen noodzakelijke link tussen hermeneutiek en de acceptatie van vrouwelijke ambtsdragers of homorelaties.

En twee: hermeneutiek is allereerst een descriptieve wetenschap en pas daarna normatief. Hermeneutiek schrijft niet voor hoe het verstaansproces moet lopen maar probeert bloot te leggen hoe het feitelijk gaat. Bij iedereen, welk standpunt je ook hebt. In dat licht kom je tot theorieën of aandachtspunten die je helpen om bij de bezinning op vrouw en ambt en homoseksualiteit alle nodige facetten mee te nemen. Het leidt niet tot één bepaald inhoudelijk antwoord.

3. Hoe helpt hermeneutiek ons dan wel rond vrouw en ambt en homoseksualiteit?

Zonder volledig te zijn, selecteer ik vijf  aandachtspunten.

1. Wees je bewust van de wisselwerking tussen het geheel en de onderdelen. Minstens onbewust vorm je altijd een beeld van het geheel van de Bijbel. Dat stuurt je kijk op man en vrouw en seksualiteit, en kleurt je omgang met concrete onderdelen binnen de Bijbel. Vraag je dus af wat de beste manier is om die totaalboodschap van de Bijbel te verwoorden. Vertelt de Bijbel het verhaal van God die schiep en de orde van zijn gevallen schepping bewaart en herstelt? Of van God die zijn gevallen schepping transformeert in een nieuw koninkrijk? Of gaat het om Gods voortgaande bevrijding? Of gewoon om de liefde, of andere kernmotieven? Veel verschillen rond man, vrouw en ambt en homoseksualiteit gaan hierop terug. Wát je hier kiest, leer je niet van hermeneutiek. Het vraagt Bijbelinzicht en theologie. Maar hermeneutiek maakt wel duidelijk hoe belangrijk zo’n totaalbeeld is.

2. Projecteer de beste wereld rond de tekst. Bij elke Bijbelpassage maken wij ons een voorstelling van wat daar staat en van wereld eromheen. Vaak onbewust; dan projecteer je vaak gewoon je eigen leefwereld. Als Middeleeuwse schilders die Bethlehem situeren in een Vlaams platteland. Daardoor lees je teksten over vrouwen en publieke kerkelijke taken zomaar met het beeld van de man-vrouw-verhouding en de ambten die je gewend bent, en teksten over tegennatuurlijk geslachtsverkeer vanuit hedendaagse homoseksualiteit. Zo kun je onwillekeurig in de tekst inlezen wat daar niet bedoeld is.

Nu is onze kennis over de wereld van de Bijbel de laatste eeuwen onvoorstelbaar gegroeid. Daardoor blijken omstandigheden soms zo verschillend dat je een passage niet één op één vandaag kunt toepassen. De vorm van homoseksueel verkeer waarover Paulus schreef, lijkt in allerlei opzichten niet op de homoseksuele relatie van je medechristen. En Paulus’ woorden over de plaats van toenmalige vrouwen maken niet rechtstreeks duidelijk waarom vrouwen vandaag wel een christelijke school mogen leiden maar geen christelijke gemeente. Welk beeld van de omgeving van de tekst het beste is, beslist opnieuw niet hermeneutiek, maar bijvoorbeeld historisch onderzoek. Hermeneutiek maakt je er echter wel van bewust dát elk verstaan zulke projecties kent. Dan wordt het schuldige luiheid als we vervolgens niet proberen om ons beeld van de wereld rond de tekst scherp te stellen.

3. Koppel Bijbelkennis aan andere kennis. Je kunt moeilijk Gods wil zoeken over een onderdeel van de werkelijkheid en die werkelijkheid niet willen kennen. Door onderzoek en ervaring weten wij vandaag meer dan de apostelen over man- en vrouw-zijn en over homoseksualiteit. Ook dat zet je voor de vraag of hun woorden één op één mee kunnen naar vandaag, of misschien een andere toepassing vergen. Bovendien laat onze kennis soms andere Bijbelwoorden oplichten, die we tot nu toe niet betrokken bij deze onderwerpen, bijvoorbeeld Jezus’ woord over eunuchen.

Dit voelt gevaarlijk. Toch zijn er al lang allerlei werkelijkheden waarover wij meer weten dan de bijbelschrijvers, en waarbij we onze kennis ook vrijmoedig in rekening brengen: bij auteursnamen van psalmen, het wereldbeeld van een platte aarde, evolutie, de duiding van ziektesymptomen, de omgang met rente, mode, democratie, recht van opstand, dieren eten. God schakelde in zijn openbaring mensen in met al hun menselijkheid. Hij tilde hen meestal niet uit boven hun tijd en corrigeerde hen alleen waar dat voor zijn openbaring nodig was. Niemand ontkomt eraan zijn kennis van de werkelijkheid te verbinden met wat het Woord over diezelfde werkelijkheid zegt. Dat gaat alleen goed, als we daarbij – analoog aan artikel 2 NGB – wel altijd de bril van het Woord opzetten.

Maar respecteer je in de discussies over vrouw en ambt en homoseksualiteit zo nog wel ‘de schrift alleen’? De Bijbel legt zichzelf toch uit? Blijft Gods woord nog wel een tegenover? Maar als je de projecties (punt b) en de werkelijkheidskennis (punt c.) niet bewust gebruikt, gebeurt het onbewust alsnog. Historici hebben geanalyseerd hoe het sola scriptura van de Reformatoren altijd verbonden was aan hun kennis van de werkelijkheid en buitenbijbelse instanties. Pas later kwam er een versmalling. Zeker is de Schrift een tegenover. Maar dat tegenover beveilig je niet door naïef de Schrift te hanteren in een vacuüm. Het vraagt vooral om voortdurende zelfkritiek en ontvankelijkheid voor Gods stem.

4. Peil profetisch onze tijd en cultuur. Niemand moet willen ontkennen dat onze discussies over vrouw en ambt en homoseksualiteit voortkomen uit de beweging van onze cultuur die ook ons meeneemt. Daarom moet je die cultuurbeweging christelijk evalueren om er verantwoord mee om te kunnen gaan. Op veel punten is cultuur een gegeven waar je mee moet dealen. Maar met onze westerse cultuur is bovendien meer aan de hand. Zij is gevormd door de christelijke traditie. Dat spreekt uit tal van trekken.

“Elk individu heeft waarde. Mensen behandel je gelijk naar hun gaven en prestaties. Individualiteit vindt vervulling in relationaliteit. Al het geschapene is goed, ook seksualiteit.  Het bestaan vormt geen kringloop maar een geschiedenis die uitloopt op een volmaakte nieuwe toekomst. Mensen zijn geen onmondige speelbal van machten maar in Christus Gods medewerkers.”

Zulke trekken van onze cultuur hebben christelijke wortels. Kun je daarom misschien ook de ontwikkelingen rond man en vrouw en homoseksualiteit positief duiden?

Tegelijk leeft onze postchristelijke cultuur in opstand tegen God. Voortdurend breekt zij door grenzen die hij stelde. Spreekt dat misschien uit de  ontwikkelingen van de man-vrouw-relatie en seksualiteit? Hermeneutiek beslist niet hoe wij de cultuur moeten duiden. Dat vraagt om het profetische licht van het Woord en de wijsheid van de Geest. Maar zij laat wel zien dat wij rond vrouw en ambt of homoseksualiteit meestal te kort door de bocht gaan. Geen keuze is verantwoord waarin deze zorgvuldige duiding van de cultuur achterwege blijft.

5. Kijk in de spiegel. Waarom zoek jij een antwoord op vragen rond vrouw en ambt en homoseksualiteit. Wat veroorzaakt jouw gedebatteer bijvoorbeeld bij anderen, betrokkenen en medechristenen? Onderken je eigen vooroordelen rond deze thema’s, grenzen die je al bij voorbaat trekt, ervaringen die je stempelen, doelen waar je gewoon bij wilt uitkomen? Waarom praat jij die bepaalde reconstructie van homoseksualiteit uit de wereld van de Bijbel na en negeer je dat alternatief? Waarom focus ik wel op vrouw en ambt en niet op fair trade? Waarom zoveel aandacht voor wat die kleine groep christelijke homo’s wel of niet mag doen en nauwelijks voor al die seksuele zwakheden waarmee veel meer christenen zitten, te beginnen bij jouzelf? Zou je over vrouw en ambt en homoseksualiteit wel een ander standpunt dúrven innemen? Of is aanpassen aan de traditie of de mode wel zo veilig? Hermeneutiek legt bloot dat dit soort diepere belangen en motieven ons allemaal belasten. Wie ze niet onder ogen ziet en daarover ook met God en medechristenen spreekt, smoort het verstaan van Gods wil.

4. Hoe ga ik zelf met die twee thema’s om?

De totaalboodschap van de Bijbel formuleer ik zo: God leidt zijn gevallen schepping in Christus naar de transformatie in zijn koninkrijk. Daarom benader ik man en vrouw en homoseksualiteit niet alleen vanuit de oorspronkelijke scheppingsorde. Die kennen we ook alleen maar in haar gevallen gedaante. Er ligt een toekomst voor ons waarin huwelijk en seksualiteit vervuld zijn in de band met Christus, in zijn lichaam. De orde van de gevallen schepping kent een nadrukkelijk onderscheid  tussen man en vrouw, waarbij de man leiding geeft. In het komende koninkrijk staan allen gelijk onder Christus. Daar verliest dit aspect van het onderscheid tussen man en vrouw zijn functie.

In dat licht herken ik de voortdurende beweging richting gelijkheid in de Bijbel. Maar ook begrijp ik waarom de apostelen waarschuwen dat we niet uit naam van het komende koninkrijk die orde voor een gevallen schepping mogen destabiliseren en zo het evangelie in opspraak brengen. Daarbij past ook Paulus’ beroep op schepping en zondeval om af te weren dat vrouwen publiek leidinggevend optreden. Voor mensen toen, ook voor de apostelen zelf, was een ordelijke aardse samenleving ondenkbaar als dat zou anders zou gaan. Maar wij weten op dit punt meer dan Paulus. Publiek leidinggeven door vrouwen neemt de orde van de gevallen wereld niet automatisch weg.

De Westerse ontwikkeling naar gelijkheid herken ik als een maatschappelijke vrucht van de Christelijke traditie, die voor Paulus nog onvoorstelbaar was. Tegelijk besef ik dat onze cultuur het natuurlijk onderscheid tussen man vrouw helemaal wil doorbreken en los van Christus eigenmachtig zelf een nieuwe orde creëert.

Ook vandaag blijft het apostolische evenwicht nodig tussen vooruitgrijpen op het nieuwe én respecteren van de oorspronkelijke orde. Maar vandaag kan dat evenwicht zonder schade anders uitvallen. Publiek leidinggevende posities van vrouwen passen juist als stap op weg naar het koninkrijk, waar we allemaal met Christus zullen regeren. Hen die onthouden legt juist in een postchristelijke cultuur een onnodig struikelblok. Tegelijk wordt de uitdaging voor ons om tegen de eigenmachtigheid van onze cultuur in het onderscheid tussen mannen en vrouwen op andere manieren creatief te blijven uitdrukken, al zou het alleen maar in de kleding zijn.

Bij homoseksualiteit pakt ditzelfde totaalplaatje anders uit. Vooruitgrijpen op de vervulling van seksualiteit betekent juist niet het seksuele spectrum uitbreiden maar naast de seksueel gekwalificeerde man-vrouw-eenheid nieuwe – niet-seksuele – vormen van christelijke gemeenschap of vriendschap creëren. Die verdwijnende seksuele man vrouw eenheid krijgt tijdelijk zelfs een extra betekenis. Zij moet afbeelden waar het heengaat tussen Christus en zijn bruid. Daarom zeg ik ook niet: als seksuele eenwording toch haar scheppingsbetekenis verliest, kunnen we die toch best als tijdelijk noodverband ook nog even gunnen aan homo’s. Ik vind wel dat de kerk homorelaties vaak moet tolereren, maar dat is iets anders dan rechtvaardigen. Hier geeft God de natuurlijke orde van de gevallen schepping juist tijdelijk nieuwe betekenis. Daarbij past voor mij ook Paulus’ nadruk in Rom 1 op het tegennatuurlijke karakter van homoseksuele relaties, al vind ik dat je Rom 1 als geheel niet rechtstreeks kunt toepassen op hedendaagse christelijke homo’s.

Tegelijk geeft een koninkrijksbenadering een ander perspectief op homoseksualiteit dan een scheppingsinvalshoek. Wij moeten leren homoseksualiteit niet langer vooral te benaderen als gebrokenheid en lijden. Het is een gelijkwaardige manier van menszijn die ook vervuld zal worden in het komende koninkrijk. Zo’n kijk op homoseksualiteit was voor Paulus ondenkbaar. Voor hem gold: tegennatuurlijke handelingen en begeerten moet je achter je laten. Maar beter dan de apostelen beseffen wij dat homoseksualiteit ook bij een christen een blijvende identiteitsdimensie kan zijn.

Bovendien doet hermeneutisch besef mij bedenken dat wij niet ons begrip seksualiteit zomaar mogen projecteren op de wereld van de Bijbel. De Bijbel kent dat begrip helemaal niet. Seksualiteit omvat bij ons allerlei andere dimensies rond seksuele eenwording zelf. Lichamelijkheid, geborgenheid, individuele vervulling in een relatie, intimiteit, vriendschap, liefde: die dimensies gaan mee naar het komende koninkrijk en zullen niet met seksuele eenwording verdwijnen. Daarom is het de uitdaging daarheen ook nu al vormen voor te vinden in vriendschapsrelaties van ongetrouwde homo’s en hetero’s.

Misschien vindt u mijn benaderingen maar niets. Prima, ik zie ook zwakke plekken en gaten. Ik wantrouw mijzelf bijvoorbeeld. Voor het één en tegen het ander … is dat geen handige middenpositie? Maar de les van mijn verhaal is dat je er niet mee weg komt door je vervolgens zelf van de hermeneutische vragen af te maken en mij vooral een paar teksten voor te houden. U moet ook uzelf kritisch bevragen. En de noodzakelijke hermeneutische aandachtspunten – bijvoorbeeld mijn totaalplaatje van de Bijbelse boodschap – erin betrekken. En u bent dan verplicht een beter totaalplaatje te leveren.

Deze tekst is 29 september 2017 door prof. dr. Ad de Bruijne uitgesproken tijdens studiedag God, mens en wereld verstaan in het licht van de Bijbel, n.a.v. de verschijning van Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Gereformeerde Hermeneutiek Vandaag. Theologische perspectieven.

Een wonderlijke wraakpsalm

‘God, sla hun de tanden uit de mond, verbrijzel de kaken van die leeuwen,’ bidt de dichter in Psalm 58. Hij smeekt God zijn vijanden te laten verdwijnen als een slak die kruipend oplost in slijm. Als je dit moet voorlezen op de kansel of bij een bijbelstudie, kom je misschien nog net tot het midden. Maar daarna? Het is niet niks wat deze gelovige vraagt: de dood van de goddelozen. Meer nog: een bloedbad!

Hoe kun je ooit een preek houden over zo’n psalm?

Kun je hier iets positiefs over zeggen? Zeker! Dr. Eveline van Staalduine – Sulman ziet minstens drie bemoedigingen:

1. Hier is iemand aan het woord die weet wat eerlijk en oneerlijk is

Los van de taal die de dichter uitslaat, we hebben hier te maken met iemand die heeft nagedacht over goed en kwaad, over eerlijk en oneerlijk. In de vorige training Geloofwaardig preken over ongemakkelijke teksten verzuchtte een van de cursisten bij een vergelijkbare tekst: “Er gaat dan wel een hele hoop fout in deze perikoop, maar er zijn toch nog mensen die doorhebben dat het fout gaat.” En zo is het hier ook.

De dichter verwijt de goden dat ze oneerlijk bezig zijn: ‘Spreekt gij, ​goden, inderdaad recht? Richt gij de mensenkinderen rechtmatig? (NBG)’ Is dit een hoge aanspreektitel voor rechters en leiders? Ze moeten recht spreken, maar doen zelf intussen kwaad. Ze moeten geweld in toom houden, maar ze bedrijven het zelf. Ze doen niet wat ze anderen proberen aan te leren! De wraakgevoelens zijn dus stevig gefundeerd op Gods wetten, op kennis van rechtvaardigheid. Ze stoelen niet op zelfmedelijden of op het simpele gevoel tekort gedaan te zijn.

2. Hier is iemand aan het woord die weet waar gerechtigheid vandaan komt

De dichter weet dus waar gerechtigheid vandaan komt. De God van Israël heeft wetten ingesteld en Hij is Degene die uiteindelijk bepaalt hoe de wereldgeschiedenis verloopt. De dichter heeft er vertrouwen in dat deze God er voor hem zal zijn. Dat iedereen zal zien dat er gerechtigheid op aarde komt, als deze God ingrijpt.

3. Je mag veel zeggen tegen God

Van Daniel Migliore heb ik geleerd ook naar de pastorale kant van dit soort psalmen te kijken. Je mag heel wat zeggen tegen God in de Bijbel. Je hoeft niet alles voor je te houden. Je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Al je ellende hoef je niet in jezelf op te slaan om die vervolgens jarenlang op te kroppen. Je mag je gevoelens – ook je wraakgevoelens – uiten. Wat God er vervolgens mee doet, is een tweede. De dichter roept zijn medegelovigen ook niet op tot geweld; hij laat het aan God over.

Kun je zelfs genieten van een wraakpsalm?

Sommige aspecten staan te ver van ons af ons er comfortabel bij te voelen. Daarom noemen we het een ongemakkelijke tekst. Maar er zijn ook aspecten die dichter bij ons staan, alleen al doordat we ons verwant voelen aan de schrijver. Ook hij was een gelovige die vertrouwde op God. Ook hij was verbijsterd over hoe mensen met elkaar omgingen. Ook hij bestormde God met zijn levensvragen, maatschappijkritiek en opstandigheid. En God zij dank is zijn klacht niet onder het vloerkleed geveegd, maar opgenomen in het psalmboek van Israël.

Dr. Eveline van Staalduine-Sulman is universitair hoofddocent Oude Testament aan de VU en is een van de trainers van Geloofwaardig preken over ongemakkelijke teksten. Deze blog verscheen eerder op Geloofwaardig Spreken.

Een preek waarvan je het einde zelf mag dromen

Wat zou een predikant van een schrijver kunnen leren? Beter vertellen? Of mooier formuleren? Wellicht. Maar wezenlijker is: beelden oproepen.

Op een ochtend las ik op de scheurkalender die bij ons op het toilet hangt: ‘De kunst van de schrijver bestaat er vooral in ons te doen vergeten dat hij woorden gebruikt.’ Op de achterkant van het blaadje legt redacteur Vanno Jobse dit citaat van de filosoof Bergson nog wat nader uit. De taal is ontoereikend om te communiceren over de rijkdom van de werkelijkheid. We zijn genoodzaakt woorden op dingen te plakken zodat we elkaar begrijpen. Maar daarmee reduceert de taal ook, wat de ander oppikt is altijd net even anders dan wat je wilde zeggen. Wat schrijvers daarom volgens Jobse te doen staat is beelden oproepen, beelden die rijker zijn dan de woorden die we gebruiken. Beelden die zich vormen in het hoofd van de lezer.

Sinds die dag begin ik vrijwel elke schrijfcursus met dit citaat en lees ik het stukje van de kalender voor aan de cursisten. Wazige blikken zijn meestal mijn deel, maar gelukkig breekt vaak halverwege de zon door. Dat is begrijpelijk. Geen schrijver is immers louter bezig met woorden in de goede volgorde te zetten, met de grammatica van de zinnen of de logische opbouw van het verhaal of betoog. Waarom zit je uren te ploeteren op een paar pagina’s, waarom herschrijf je en schrap je eindeloos tot je uiteindelijk een beetje een goed gevoel hebt over de tekst? Omdat je beseft dat wat je wilt vertellen altijd rijker is dan de taal kan overbrengen. Beelden oproepen, daar gaat het in de kern dus om bij literair schrijven. Niet alleen de schrijver heeft fantasie, ook de lezer. En hoe actiever de lezer is, hoe beter hij of zij het verhaal zal verwerken en het tot zijn eigen verhaal zal maken.

Zie ik het goed dat het in de preek nauwelijks anders gaat? De rijkdom van het Evangelie gaat onze taal verre te boven. Het mysterie van het geloof is te groot om sluitend in woorden te vangen en over te brengen. Een preek die voelt als helemaal af, helemaal kloppend, slaat misschien wel net de plank mis. Adriaan van Dis zei ooit: ‘Een goed verhaal heeft een einde dat je zelf mag dromen.’ Misschien is de beste preek wel die waarin beelden worden opgeroepen, waarin het mysterie van het geloof tussen de regels door kiert en waarvan de hoorder het einde zelf mag dromen.

Met toestemming overgenomen van Preekwijzer. De auteur, Arie Kok, geeft samen met Kees van Dusseldorp in 2017 een cursus narratief preken “Verbeter je verhaalkracht!”.

Tante Anne

Het leven was mijn tante niet gunstig gezind. In haar jeugdjaren had ze veel met ziekte te kampen, en ze verloor Hans – het enige kind dat ze had – toen hij zeven jaar oud was. Haar man was fabrieksarbeider, en op een middag kwamen ze mijn tante vertellen dat hij dood was, veertig jaar oud. Voor zover ik dat kan beoordelen is haar leven nadien kleurloos geweest, en enige relatie met God was er niet.

Ze was pas zeventig jaar oud toen ze werd opgenomen in een verzorgingstehuis in Deventer: ze was in ernstige mate dementerend. Ik was praktisch de enige die haar bezocht, eenmaal per vijf of zes weken. Dat was niet al te vaak maar de afstand werkte ook niet mee. Ze kon zich het huis nog herinneren waar ze als kind had gewoond, en er was nóg een gebeurtenis op de harde schijf achtergebleven: het overlijden van haar zoon Hans. Het was nog steeds een zwarte schaduw over haar bestaan, en het maakte haar zo verdrietig.

Een gesprek was nauwelijks mogelijk, omdat haar zinnen niet verder kwamen dan een- of twee losse woorden. Ik had de gewoonte haar in de auto mee te nemen voor een rit in de omgeving, en we hadden altijd dezelfde route: over de IJsseldijk naar Wijhe, daar met de pont over de IJssel en via de tegenoverliggende IJsseldijk weer terug naar Deventer. Daar, met het uitzicht over de rivier en op de stad dronken we koffie, aten appelgebak, en werd het samenzijn afgerond met een glaasje advocaat met slagroom.

Ik vroeg haar eens wat de kerk met de twee torens aan de overkant van de rivier eigenlijk betekende. “Van ’t geleuf”, was haar antwoord. Ik vertelde haar, dat zij als klein meisje in die kerk was gedoopt, maar ze keek glazig, en het zei haar niets. Toen zei ik: “Tante, u bent altijd zo verdrietig en u voelt zich altijd zo alleen. We moeten een afspraak met elkaar maken. We moeten vragen of Jezus zich over u wil ontfermen. Of Hij u wil helpen over dat verdriet heen te komen en u weer blijdschap te geven in het leven. Maar het zou wel eens kunnen dat u vergeet daarvoor te bidden, maar ik zal het ook doen. Ik zal u blijven steunen in het gebed.” Dezelfde glazige blik, en geen reactie. Ze begreep totaal niet waar ik het over had.

De volgende keer herhaalde zich hetzelfde ritueel, en hetzelfde gesprek. Zo ging dat maar door, jaar in, jaar uit, zonder dat ze ooit reageerde. Zelfs niet met één enkel woord!

Tien jaar later zaten we op een vrijdagmiddag in een dorpscafé in Den Nul, ergens aan de IJssel. We zaten met ons tweeën in de cafézaal, en plotseling was het alsof de bliksem insloeg. Iets dat uit medisch oogpunt tot de onmogelijkheden gerekend moet worden, gebeurde. Mijn tante trad buiten haar dementie, en was normaal! Terwijl ze in haar koffie roerde vertelde ze mij, hoezeer ze het op prijs stelde dat ik haar regelmatig kwam opzoeken. Dat ik haar rondreed, we samen koffie dronken en appeltaart aten. Dat ik met haar praatte en dat haar dat enorm stimuleerde. “Als je me weer terug hebt gebracht naar het tehuis, dan ben ik weer helemaal opgeladen, en kan ik er weer wéken tegen! En ik weet ook dat je altijd voor mij hebt gebeden; maar wat je niet weet, is dat ik ook altijd voor jou heb gebeden!”

Ik was perplex. Niet alleen omdat mijn tante tegen mij sprak en de manier waarop, maar ik was vooral geschokt door de manier waarop de Heilige Geest tot mij sprak. “Adri, je hebt je om je tante bekommerd. Je hebt langdurig en oprecht voor haar gebeden, maar je hebt niet echt geloofd dat Ik wat kon uitrichten in de staat waarin zij verkeerde. Je hebt véél te klein over mij gedacht, maar Ik ben veel groter dan jij denkt!”

Het gesprek met mijn tante Anne duurde misschien maar vijf of tien minuten; toen was het over en de dementie sloeg weer toe. Ik heb tien jaar met haar gesproken over Jezus, en tien jaar voor haar gebeden. Op deze bijzondere vrijdag liet God mij zien dat zelfs de meest demente dementen door Hem bereikt en gered kunnen worden. God is inderdaad véél groter dan wij denken of beseffen.

Het was met recht een bijzondere vrijdag, want het was de laatste keer dat ik mijn tante zag. Drie dagen later overleed ze plotseling. Een vrouw die bij haar volle verstand Jezus niet kon vinden, werd door Jezus gevonden in haar demente staat.

Dit najaar start bij PEP i.s.m. De Meij Consultancy en WoonZorgcentra Haaglanden de cursus Dementie: een pastorale en theologische uitdaging. Cursus voor predikanten, geestelijk verzorgers en pastoraal werkers. Docenten: Tim van Iersel, m.m.v. Gert Westrik en Cor van den Berg. 

Denken om shalom

De 85-jarige filosoof Nicholas Wolterstorff komt naar Nederland. Waarom is zijn denken van betekenis?

Door: Robert van Putten, Bart Cusveller en Rob Nijhoff; redactie: William den Boer

De 85-jarige Amerikaanse filosoof Nicholas Wolterstorff komt in juni een week naar Nederland. Hij is een van de meest bekende en toonaangevende christenfilosofen van dit moment en schreef boeken over rechtvaardigheid, christelijk onderwijs, kunst, liturgie, politieke autoriteit, het spreken van God, het spreken over God, de plaats van religie in het publieke domein, geloof en wetenschap en, op een persoonlijke manier, over de dood van zijn zoon. Wat maakt een kennismaking met deze denker zo waardevol?

Sinds de christelijke traditie het toneel van de Europese wereldgeschiedenis betrad, staan christenen voor de uitdaging om zich te verhouden tot de samenleving waarin zij leefden. Dat gold voor de vroege christenen in het oude Rome, dat gold voor Middeleeuwse christenen in het Moorse Spanje, dat gold voor christenen ten tijde van de opkomende moderniteit, en dat geldt voor christenen in Nederland nu. Van de andere kant gezien, de komst van christenen in de westerse samenlevingen betekende ook dat niet-christenen voor de uitdaging stonden om zich te verhouden tot de claims van deze gelovigen over goede manieren van denken, spreken en handelen in die samenlevingen. Kortom, de aanwezigheid van religie leidt doorlopend tot discussie over de plaats van religies in de cultuur en de betekenis die dit heeft voor de opstelling van mensen in de cultuur.

Verlegenheid

Onze tijd is daarop dus geen uitzondering. In media en politiek, in onderwijs en wetenschap, in kunst en kerk is voortdurend bezinning gaande op de betekenis van omvattende levensvisies, op ‘oorsprong en doel en zin’ van het bestaan en op de omgang met elkaar. Niet zelden ervaren christenen verlegenheid over hun verhouding tot een seculiere cultuur. Welke ruimte is er voor geloof in het publieke domein? Wat is de verantwoordelijkheid van christenen voor de samenleving? Wat betekent nu concreet een christelijke identiteit in de praktijken van het leven, zoals het onderwijs? De vragen gaan zelfs helemaal terug tot de kern van het christen-zijn, het gelovig denken over God zelf. Kan dat nog wel, geloven in God? Dergelijke vragen zijn ook vandaag de dag onderwerp van intensieve bezinning, niet het minst omdat veel christenen verlegenheid ervaren met vertrouwde antwoorden uit het verleden. Zou een zoektocht naar andere articulaties van vragen en antwoorden andere mogelijkheden voor christenen in de moderne cultuur aan het licht kunnen brengen?

In dergelijke situaties kan het zinvol zijn te leren van christenen die in andere maar tegelijkertijd ook vergelijkbare contexten met deze vragen worstelen. Zo iemand is in elk geval de filosoof Nicholas Wolterstorff. Hij heeft zich vanuit zijn Noord-Amerikaanse context langdurig en intensief gebogen over de verhouding van mensen met verschillende substantiële levensvisies tot elkaar, het samenleven als zodanig, de opstelling van christenen in de moderne cultuur en de betekenis van de christelijke levensvisie op tal van terreinen. Bij hem treffen we geen terugtrekkende beweging of triomfantelijke betweterij, maar een derde weg van het goed recht van scherpe, inhoudelijke analyse en zinvolle voorstellen om verschillende domeinen in de moderne samenleving vanuit een christelijk perspectief te benaderen.

Toonaangevend denker

Nicholas Paul Wolterstorff werd geboren in 1932 te Bigelow, Minnesota, in een Nederlands migrantengezin. Na een studie filosofie aan het christelijke Calvin College en aan Harvard University is hij in 1956 gepromoveerd aan Harvard op de Britse filosoof Whitehead. Vervolgens was hij van 1959 tot 1989 hoogleraar filosofie aan Calvin College en van 1989 tot 2001 hoogleraar filosofische theologie aan Yale University. Ook na zijn emeritaat bleef hij nog aan Yale verbonden, naast een aanstelling aan de University of Virginia. Hij heeft zich ontwikkeld tot toonaangevend filosoof, zowel binnen als buiten christelijke kring. Zo was hij voorzitter van de Amerikaanse vereniging voor christelijke filosofie (Society of Christian Philosophers), alsook voorzitter van de algemene American Philosophical Association, en hield bekende lezingenseries als de Gifford- en de Stone Lectures. Binnen de academische filosofie is hij primair bekend geworden door zijn werk op het gebied van de kennisleer, vooral door zijn werk met Alvin Plantinga, als aanstichters van de zogeheten reformed epistemology. Dit is een kennistheoretische benadering waarin geloof in God niet kennistheoretisch verdacht is en die de tongen heeft losgemaakt in heel de Angelsaksische filosofie.

Wolterstorff heeft een veelomvattend oeuvre ontwikkeld op de terreinen van de esthetiek, godsdienstfilosofie, moraalfilosofie, onderwijsfilosofie, kennis- en wetenschapsleer en politieke filosofie. Hij schreef boeken over rechtvaardigheid, christelijk onderwijs, kunst, liturgie, politieke autoriteit, het spreken van God, het spreken over God, de plaats van religie in het publieke domein, geloof en wetenschap en, op een persoonlijke manier, over de dood van zijn zoon. Niet alleen doorkruist Wolterstorff daarbij vele wijsgerige disciplines, ook schuwt hij niet om het terrein van de geschiedenis en de theologie te betreden, zoals in zijn werk over rechtvaardigheid en over liturgie. Op diverse van deze onderwerpen werd hij een auteur die niet genegeerd kan worden in het brede filosofische en theologische debat. Een sprekend voorbeeld hiervan vormt zijn werk rond religie in het publieke domein, waar iemand als Jürgen Habermas zich toe is gaan verhouden. Internationaal worden inmiddels proefschriften aan zijn werk gewijd, en wanneer nieuwe boeken van hem verschijnen, organiseren redacties van academische journals hun themanummers over zijn werk.

Shalom

Wie de diversiteit aan onderwerpen ziet waarover Wolterstorff schrijft zou kunnen denken dat er weinig eenheid in zijn werk te ontdekken valt. Hoewel hij niet geprobeerd heeft een programma uit te werken is niets minder waar. Het gaat hem steeds om aspecten van menselijke bloei, van het floreren van het menselijk leven zoals het bedoeld is. Of om met een Bijbels woord te spreken: shalom. Waar kunst en schoonheid, recht en vrede, of geletterdheid en onderwijs ontbreken, daar is het leven minder dan het kan zijn, ja, moet zijn. Shalom houdt alles bij elkaar, zegt hij, daar dienen we naar te streven.

Wolterstorff in Nederland

Al sinds begin jaren tachtig manifesteert Wolterstorff zich met zijn filosofische werk in Nederland. Begin jaren tachtig verzorgde hij ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Vrije Universiteit in Amsterdam een serie Kuyper-lezingen, later uitgegeven in het boek Until Justice and Peace Embrace. In de tweede helft van de jaren tachtig was hij gasthoogleraar aan de VU op het gebied van kennis- en wetenschapsleer. In deze periode werkte hij onder meer aan zijn publicatie over John Locke en het ontstaan van het moderne rationaliteitsideaal. Net voor hij terugkeerde naar de Verenigde Staten om zijn leerstoel aan Yale University te aanvaarden is René van Woudenberg, nu hoogleraar epistemologie en metafysica aan de VU, bij hem gepromoveerd. Tien jaar terug, in 2007, was Wolterstorff te gast aan de VU om een eredoctoraat te ontvangen.

Van zijn omvangrijke oeuvre is echter maar een klein deel bekend geraakt in Nederland. Via de vertaling van het boek De rede binnen de grenzen van de religie in 1993 en de essaybundel Van zekerheid naar trouw in 1997 hebben we kennis kunnen maken met Wolterstorffs visie op kennisvorming, theorievorming en de relatie tussen geloof en wetenschap. Binnen theologische faculteiten is er bekendheid met zijn godsdienstfilosofische werk van begin jaren negentig. Ook kwam er een Nederlandse vertaling van zijn boekje over het overlijden van zijn zoon Eric, Klaagzang voor een zoon.

Wolterstorffs praktisch-filosofische werk op het terrein van politiek, recht, onderwijs en kunst is in ons land nagenoeg onbekend gebleven. Echter, juist op die terreinen heeft Wolterstorff een omvangrijk oeuvre ontwikkeld, een oeuvre dat zich in de laatste vijftien jaar, de jaren na zijn emeritaat in 2001, nog veel verder heeft ontwikkeld. In het licht hiervan steekt zijn bekendheid in Nederland schril af bij de internationale erkenning van zijn werk. Dit oeuvre van Wolterstorff kunnen we in Nederland alleen maar tot onze schade negeren.


Bundel Denken om Shalom en studiedagen met Wolterstorff

Binnenkort verschijnt in de boekenreeks van de Stichting voor Christelijke Filosofie de bundel Denken om shalom. Hierin staat de actualiteit van Wolterstorffs praktische filosofie centraal. De focus van de bijdragen ligt op het inleiden in zijn denken en op het evalueren van Wolterstorffs filosofie in het licht van wat in onze Nederlandse context actueel en relevant is.

De redactie van de bundel wil de huidige zoektocht van Nederlandse christenen naar ‘christelijk denken’ over God, identiteit, samenlevingsverhoudingen en recht een impuls geven. Wolterstorffs werk kan een belangrijke bijdrage leveren aan het gesprek over behoorlijk menszijn in onze tijd dat in bredere levensbeschouwelijke contexten en ook niet-levensbeschouwelijke contexten wordt gevoerd. Dit artikel is een bewerking van de inleiding op de bundel door William den Boer.

Ter gelegenheid van de presentatie van deze bundel komt de 85-jarige filosoof begin juni naar Nederland om in vier studiemiddagen te inspireren tot het begrijpen, doordenken en toepassen van zijn gedachtegoed op de gebieden van filosofie, politiek, onderwijs en geloof. Klik hier voor meer informatie en aanmelding. Klik hier voor informatie over de verdiepende PE-opdracht (1 EC) rond het werk van Wolterstorff.

Liever dood dan vergeten

Als je dementie hebt, kun je beter dood zijn. Je vergeet jezelf en je wordt vergeten. Dat is geen leven meer.

“Ik ben nog getrouwd, maar eigenlijk al weduwe,” verwoordde een mevrouw wiens partner dementie had dat eens aan me. Stap voor stap verloor ze haar man, die ze niet meer als haar echtgenoot herkende. “Dit had hij nooit gewild,” voegde ze daar aan toe. “Hij kan er beter niet meer zijn. Dan is hij uit zijn lijden verlost. Dat is beter voor iedereen.”

Als je dementie hebt, kun je inderdaad beter dood zijn. Zolang slechts je cognitieve capaciteiten van waarde zijn en je die langzaamaan verliest, word je gaandeweg waardeloos. Je verliest je bestaan. De maatschappelijke mantra van ‘cogito, ergo sum’ betekent bij dementie vanzelfsprekend dat je gaandeweg niet meer bestaat, omdat je denken het af laat weten. Dan kun je beter dood zijn. Of je bent eigenlijk al dood verklaard, terwijl je nog leeft.

Gauw genoeg heerst er in kerkelijke kring verontwaardiging over deze manier van denken. Natuurlijk ben je nog van waarde als je dementie hebt: je bent immers kind van God. Toch leeft de maatschappelijke focus op cognitieve capaciteit stiekem ook in de kerk. Als je niet meer begrijpt wat er gebeurt, hoor je er niet meer bij. Wel een beetje, maar niet helemaal.

De dominee komt immers ook niet meer langs. Wat heeft het voor zin? De man weet niet eens meer wie hij is en is zijn bezoek al vergeten, voordat de dominee weer buiten staat. Kerkdiensten zijn te moeilijk geworden; hij begrijpt er niets van en tijdens het Heilig Avondmaal stopt hij het stukje brood in zijn broekzak. Beschamend voor iedereen, ook voor de man zelf.

Willen we daadwerkelijk dat mensen met dementie beter af zijn, en dan niet dood, maar levend? Dan moeten we de pastorale uitdaging van dementie aangaan. Dat betekent meer dan hen enkel gedenken in de voorbeden. Dat betekent mensen met dementie volwaardig deel laten zijn van het lichaam van Christus. Dat betekent zelfs hen jouw leraar laten zijn in het volgen van Jezus.

De toekomstige groei van het aantal met mensen dementie noopt predikanten zich te bezinnen op dementie, zowel over praktische mogelijkheden in liturgie en pastoraat als door theologische reflectie. Want ook al vergeten mensen met dementie, zij worden niet door God vergeten. Hij draagt hen in zijn herinnering. Als kerk is het de taak die herinnering keer op keer gestalte te geven, in het uitdragen van Christus die leeft. Hij overwon ook de maatschappelijke dood die mensen met dementie wordt aangedaan.

Tim van Iersel is als zorgtheoloog, geestelijk verzorger en ethicus gespecialiseerd in zingeving en ethiek bij dementie. Hij werkt als geestelijk verzorger in verpleeghuizen, waar voornamelijk ouderen met dementie wonen. Naast het contact met de bewoners in pastoraat en liturgie werkt hij samen met vrijwilligers, begeleidt hij mantelzorgers in gespreksgroepen en geeft hij trainingen ‘Pastoraat bij dementie’ en ‘Ethiek bij dementie’. www.timvaniersel.nl

Dit najaar start bij PEP i.s.m. De Meij Consultancy en WoonZorgcentra Haaglanden de cursus Dementie: een pastorale en theologische uitdaging. Cursus voor predikanten, geestelijk verzorgers en pastoraal werkers. Docenten: Tim van Iersel, m.m.v. Gert Westrik en Cor van den Berg. 

In gesprek met Rob van Houwelingen over ongemakkelijke teksten

Hoe ga je als lezer om met ongemakkelijke teksten in de Bijbel? En als spreker? Ik ga hierover in gesprek met nieuwtestamenticus Rob van Houwelingen. In het voorjaar werkt hij mee aan de training Geloofwaardig preken over ongemakkelijke teksten (start 27 maart 2017) en als voorproefje stel ik hem alvast wat vragen.

1. Wanneer bestempel je een tekst als een ongemakkelijke tekst?
Er zijn twee soorten teksten die ons moeite kunnen geven:

  1. Teksten die op zich wel duidelijk zijn maar die bij de moderne lezer vragen oproepen, bijvoorbeeld als Paulus de vrouw het zwijgen oplegt in de kerk.
  2. Teksten die lastig te begrijpen of uit te leggen zijn, bijvoorbeeld als Paulus het heeft over mensen die zich voor de doden laten dopen.

De term ‘ongemakkelijk’ heeft meer dan ‘moeilijk’ de gevoelswaarde dat wij als lezers iets ongemakkelijk vinden. Dat hoeft immers niet altijd aan de tekst te liggen.
Er bestaat een dik boek uit de laatste decennia van de vorige eeuw, getiteld Hard Sayings of the Bible (begonnen met Hard Sayings of Jesus). Dat boek was in theologische vaktaal geschreven. In Nederland ontstond het plan om iets dergelijks helemaal opnieuw te ontwikkelen, maar dan met een team van verschillende medewerkers en toegankelijk voor een breed publiek. Zo zijn de drie boekjes over ongemakkelijke teksten ontstaan.

2. Welke vraag in de boekjes vind je zelf het meest spannend?
De zogeheten zwijgteksten van Paulus kan ik exegetisch best plaatsen in de context van de eerste eeuw. Maar persoonlijk begrijp ik niet waarom vrouwen vanwege die zwijgteksten nooit of te nimmer leiding zouden mogen geven of preken in de kerk, terwijl ze in de huidige samenleving wel allerlei leidinggevende en onderwijzende functies vervullen.

3. Op dit moment heb je studieverlof en ben je in Zuid-Afrika. Wat doe je daar zoal?
Van september 2016 tot en met februari 2017 heb ik een half jaar studieverlof, waarvan ik drie maanden doorbreng in Zuid-Afrika. Samen met mijn vrouw reis ik per huurauto dwars door dit immense land, langs de vier belangrijkste universiteiten als het om de beoefening van theologie gaat, namelijk achtereenvolgens die in Pretoria, Potchefstroom, Bloemfontein en Stellenbosch. Met twee daarvan heb ik een bijzondere relatie: in Pretoria ben ik al geruime tijd gastonderzoeker, in Potchefstroom sinds kort bijzonder hoogleraar.

4. Zie je verschillen in cultuur in wat men als gemakkelijke of ongemakkelijke teksten beschouwt?
Vanwege het verleden liggen teksten waarmee apartheid werd verdedigd in Zuid-Afrika erg gevoelig. Net als in Europa vindt men geweldsteksten ook hier lastig, maar in Zuid-Afrika heb je in het dagelijks leven veel directer met geweld en onveiligheid te maken.

5. Wat motiveert jou bij het uitleggen van ongemakkelijke teksten?
Ten eerste wil ik graag zelf weten hoe het zit. Je hoeft niet altijd een oplossing te vinden, maar je kunt vaak wel mogelijkheden aangeven of achtergronden verduidelijken. Ten tweede wil ik m’n vakkennis liefst niet alleen delen met theologen maar ook met andere geïnteresseerde Bijbellezers. Daarom probeer ik academisch doordacht en tegelijkertijd zo toegankelijk mogelijk te schrijven.

6. Welke ongemakkelijke teksten staan in jouw top-3?
Uit elk deeltje noem ik één voorbeeld:
Ongemakkelijke teksten van Jezus:
Marcus 9:1: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt.’ En Marcus 13:30:‘Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.’
Ongemakkelijke teksten van Paulus:
2 Korintiërs 12:7b-9a over Paulus’ doorn in het vlees
Ongemakkelijke teksten van de apostelen:
Openbaring 20 over het duizendjarig vrederijk

7. Hoe ga jij voor jezelf met ongemakkelijke teksten om?
Ik laat ze liever ongemakkelijk dan een oplossing te forceren. De Bijbel is nu eenmaal niet altijd glashelder voor ons, zowel vanwege de afstand in tijd als vanwege ons gebrek aan inzicht. Uiteindelijk gaat het niet om teksten, maar om ons vertrouwen op de drie-enige God.

8. Welke tekst schuurt op een ongemakkelijke manier in je eigen leven?
Altijd blij zijn in de Heer (Filippenzen 4:4), want ik ben van nature niet zo blijmoedig, ook niet als gelovige.

9. (S)preek jij zelf graag over ongemakkelijke teksten? Waarom wel of niet?
Niet extra graag, want je moet dan veel uitleggen. Maar ik ga ze ook niet uit de weg.

10. Welke tips geef je aan predikanten voor de onderzoeksfase van de preek?
Stap 1: de tekst afgrenzen
Stap 2: zelf vertalen
Stap 3: nagaan hoe de tekst is opgebouwd
Stap 4: vragen stellen aan de tekst
Daarna volgen nog zes stappen in mijn Tienstappenplan voor de exegese van het Nieuwe Testament.

11. Zie je verschil tussen een preek over een gemakkelijke tekst en een ongemakkelijke tekst?
Het klinkt vreemd, maar preken over een gemakkelijke tekst is doorgaans moeilijker dan over een ongemakkelijke tekst. Johannes 3:16 bijvoorbeeld is van zichzelf al zo mooi, dan denk je als predikant: wat kan ik daar nog aan toevoegen?

12. Over welke ongemakkelijke teksten zou je in de eeuwigheid willen praten om antwoord op te krijgen?
Over geen enkele. Ik hoop dat ik dan andere dingen te doen heb ;).
Wel zou ik graag met Petrus willen praten over zijn twee nieuwtestamentische brieven, omdat ik daarover commentaren heb geschreven. Hopelijk heb ik hem goed genoeg begrepen…

Rob van Houwelingen is nieuwtestamenticus aan de theologische Universiteit Kampen, was meer dan twintig jaar predikant en promoveerde op de betrouwbaarheid van 2 Petrus. Hij is een van de auteurs van de reeks Ongemakkelijke teksten.
Als een soort vervolg schreef hij Onschatbare teksten, een top-25 van de meest populaire passages in het Nieuwe Testament. In het recente Handbagage voor Jezusvolgers bespreekt hij nog eens twintig teksten rond het thema navolging.

Deze blog is geschreven door Paulien Vervoorn en verscheen eerder op Geloofwaardig Spreken.